Banner-wiki.png

Gautama de Boeddha

Uit Dharma-Lotus
Ga naar: navigatie, zoeken

Categorie indeling
Home
Boeddhisme
Personen uit de Pali-canon
Personen uit de pali canon
Sangha
Arhats
Arhats
Ananda
Anuruddha
Assaji
Khema
Maha Moggallana
Mahā Kassapa
Pajāpatī Gotamī
Purna
Rahula
Subhūti
Sāriputta
Uppalavanna
Upâli
Yasodhara
Overigen
Alara Kalama
Ambapali
Aṅgulimāla
Bimbisara
Devadatta
Pasenadi
Dhamma wiel

Een uitgebreide biografie over Gautama de Boeddha.

Siddharta Gautama

De persoon die wij kennen als “de Boeddha” werd geboren als Siddhartha Gautama in mei 563 v. Chr. Zijn vader heette Suddhodana Gautama en hij was de radja van Kapilavastu, de hoofdstad van Sakya. De volledige naam van Siddhartha was dan ook: “Siddhartha Gautama telg van de Sakya-clan”.

Deze Sakya-clan was een samenwerkingsverband van meerdere nederzettingen waarvan Kapilavastu het bestuurs- en handelscentrum was[5]. Deze stad telde in de tijd dat Siddhartha geboren werd ongeveer 8.000 inwoners en de gehele clan telde ongeveer 180.000 inwoners. Suddhodana was dus geen grote en rijke koning met paleizen en vele bedienden zoals wel eens voorgesteld wordt. In meerdere biografieën over de Boeddha wordt verteld dat hij een zoon van een koning was en dit is dan ook onjuist. De Sakya-clan was een republiek en onderdeel van een groter koninkrijk. Het had een eigen raadsvergadering en de leden kozen uit hun midden op democratische wijze een radja en dat was de vader van Siddhartha.

Suddhodana was met 2 zusters getrouwd die tegelijk zijn nichten waren en uit Devadaha (Sakiya-clan) kwamen. Mãyã Mahamãyã was de oudste zuster en tevens zijn eerste vrouw en de moeder van Siddhartha, Pajãpati (Mahapajãpati, Gotami) was zijn tweede vrouw die het leven schonk aan 2 kinderen n.l. zoon Nanda en dochter Sundarinandã. In die tijd was het gebruikelijk dat een vrouw in haar ouderlijk huis beviel en zodoende vertrok Mãyã hoogzwanger naar Devadaha. Zij is daar echter nooit aangekomen omdat halverwege de reis haar vliezen braken en de bevalling plaats vond net buiten Lumbini. We mogen aannemen dat zij niet alléén de meerdaagse reis van Kapilavastu naar Devadaha ondernam. Een veronderstelling welke bekrachtigd wordt omdat haar zus eveneens hoogzwanger was en dus ook de reis naar haar ouderlijk huis diende te maken. Logisch dat ze samen en met hun gevolg deze reis hebben ondernomen. Of in hun gevolg ook een vroedvrouw aanwezig was is onduidelijk maar bekend is dat de bevalling uitermate zwaar was en dat Mãyã direct na de bevalling terug is gegaan naar Kapilavastu.

jeugdjaren

Boeddhabeeld uit Sri-Lanka

Eenmaal weer thuis was het priester Asita Kaladevela die het 3 dagen oude kind als eerste een bijzondere toekomst voorspelde. De legende is dat Asita tranen in de ogen kreeg toen hij het kind zag omdat hij wist dat het kind uit zou groeien tot een bijzondere spirituele leraar en hij nooit zo lang zou leven om zijn lessen te kunnen volgen. Hoewel Asita wist dat Siddhartha een groot spiritueel leraar zou gaan worden zei hij tegen zijn vader dat de jongen een groot leider zal gaan worden: “op aards dan wel spiritueel niveau”. 2 dagen later voltrokken 8 brahmaanse priesters de naamgevingceremonie, de jongste van deze priesters heette Kondañña en zou 30 jaar later één van zijn eerste volgelingen worden. Het einde van deze ceremonie was op de 6e dag na de geboorte, een dag later stierf Mãyã en Siddhartha werd verder opgevoed door zijn tante Pajãpati die zojuist was bevallen van een jongen genaamd Nanda.

De eerste keer dat Siddhartha tot meditatie kwam was toen hij 9 jaar oud was en samen met enkele vrienden bij het ceremoniële eerste ploegen van het jaar mocht zijn. Hier werd door de radja het eerste stuk grond van het jaar geploegd en de ceremonie was bedoeld om een goede en rijke oogst te waarborgen. De plechtigheid waartoe Siddhartha ook aanwezig moest zijn bestond uit het voorlezen van vedische geschriften en de jongen wist van voorgaande keren dat dit een langdurige plechtigheid was. Hij vroeg zijn moeder waarom dat nodig was waarop zij antwoordde dat de vedische geschriften heilig waren en door de schepper zelf aan de brahmaanse priesters waren overgedragen. Op zijn vraag waarom zijn vader de geschriften niet voorlas antwoordde ze dat alleen degenen die in de Brahmaanse kaste waren geboren de geschriften mochten reciteren. Zelfs heel machtige koningen moeten voor priesterlijke taken een beroep doen op de diensten van de brahmanen.

De jongen kreeg het voor elkaar om vrij te krijgen en ging op een afstand naar het ploegen kijken. Siddhartha zag dat de ploeg door de aarde sneed en zo strakke voren trok. Hij zag echter ook dat wormen en ander grondleven doormidden werden gesneden en kronkelend achterbleven en hoe deze diertjes werden opgepikt door kleine vogels en hoe een grote roofvogel een klein musje uit de lucht greep die net een worm had opgepikt. Hij ging vervolgens in de schaduw van een djamboeboom zitten, kruiste zijn benen en verzonk als vanzelf in een meditatie. Hij overzag de ploeg, het grondleven, de mus en de roofvogel en merkte op dat hij als gevolg van de brandende zon in de schaduw was gaan zitten. Toen hij uit zijn meditatie kwam zei hij tegen zijn moeder: Moeder, de wormen en de vogels hebben er niets aan dat wij de geschriften reciteren.

puberjaren

Siddhartha’s twijfels over het brahmanisme werd gedurende zijn tienerjaren alleen maar groter. Als waarschijnlijk toekomstige radja werd hij onderwezen in de heilige geschriften zoals de upanishaden en de veda’s en hij had bijzondere aandacht voor de rigveda en de atharvaveda. Hem werd geleerd dat Brahman de opperheerser van het heelal was en dat het een gave op zich was om deze god te kunnen bereiken. Zodoende kreeg hij aandacht voor de manier waarop de mensen omgingen met deze geschriften en de bijzondere positie van de brahmanen. De veda’s golden als brontekst voor het brahmanisme en daarin werden offerformules, ceremonies en heilige handelingen beschreven en de klemtoon kwam steeds meer te liggen op de juiste uitvoering van al deze rituelen die steeds omslachtiger en ingewikkelder werden. De gewone burger durfde deze niet meer uit te voeren uit angst iets fout te doen en zo de toorn van de goden over zich heen te krijgen en zo werden deze handelingen alleen nog maar uitgevoerd door specialisten; de brahmaanse hindoepriesters. Deze priesters wisten dat zij een monopoliepositie hadden op het spirituele vlak en dat zij een macht hadden die zelfs verder ging dan de macht van de radja’s en de koning. Deze macht zorgde er uiteindelijk voor dat het hele spirituele denken op zijn kop werd gezet. Waren offers in eerste instantie bedoeld om de goden gunstig te stemmen gaandeweg waren de goden afhankelijk van de offers van de priesters. Zonder de juiste uitvoering van de rituelen waren de goden kansloos en hadden niet de goden maar de priesters alle touwtjes in handen. Siddhartha merkte dit op tijdens een uitstapje waarbij hij langs een strohut kwam waar een rouwbeklag bezig was. Hij hoorde dat de kostwinner pas gestorven was en hij zag dat zowel de hut als de bewoners er zeer armoedig uitzagen. Hij hoorde hoe de kostwinner naar een brahmaanse priester was gegaan om hem te vragen de grond onder een nieuw te bouwen hut te zuiveren. De priester had als wederdienst geëist dat de man voor hem zou werken. Door dagenlang stenen te dragen en hout te hakken werd de man ziek en was uiteindelijk komen te overlijden.

trouwen

Siddhartha ging steeds meer uitstapjes maken en het liefst naar kluizenaars, monniken en samana’s die kritisch stonden ten aanzien van de brahmanen en hun eigen spirituele weg aan het zoeken waren. In Sakya waren niet veel van deze vrijgevochten samana’s maar in het westelijk gelegen koningrijk Kosala en in het zuidelijk gelegen koningrijk Maghada waren er velen. Siddhartha liet blijken ooit naar deze gebieden te willen gaan om bij deze mannen te gaan studeren. Zijn vader, de radja Suddhodana, kreeg dit allemaal te horen en moest denken aan een voorspelling van Asita Kaladevela dat Siddhartha een groot leider zal gaan worden: -op aards dan wel spiritueel niveau-. Sakya was een kleine republiek en Kosala had al meerdere pogingen ondernomen om het land over te nemen. Als Siddhartha een groot leider zal gaan worden laat het dan op aards niveau zijn, zo dacht Suddhodana. Een bijkomende zorg was dat Siddhartha in alle vakken goed was behalve in militaire zaken, oorlogsvoering en gevechtshandelingen. Suddhodana deelde zijn zorgen met zijn jongere broer Dronodanaraja, de vader van Devadatta en Ānanda. Deze gaf het advies een vrouw voor Siddhartha te zoeken, dat zou zijn aandacht wel gaan verleggen en hem strijdbaar maken. Vervolgens kreeg Pajãpati die net bevallen was van een dochter (Sundarinandã) de taak een vrouw voor Siddhartha te gaan zoeken. Die vond zij in de persoon Bhaddakaccãnã, een volle nicht van Siddhartha en dochter van raja Suppabuddha die de broer was van Pajãpati. Bhaddakaccãnã was een zeer sociaal persoon die hulpprogramma’s opzette voor armen en zieken en haar vader stimuleerde tot betere verzorging voor de lokale bevolking. Nadat de twee getrouwd waren hebben ze meerdere jaren besteed aan het proberen te verhogen van de levensstandaard van de bevolking. Siddhartha begreep echter steeds meer dat aan het grote lijden zoals ziek worden, ouder worden en sterven op deze manier niet te ontkomen viel. Door zijn blijvende contacten met samana’s begreep hij dat alleen innerlijke rust een weerstand kan bieden aan het grote lijden. Niet dat ziek worden, ouder worden en sterven een halt was toe te roepen maar dat het beleven ervan vanuit een innerlijke rust niet zal leiden tot lijden. Hoe hij echter kon komen tot deze innerlijke rust was iets dat hij niet wist. In de jaren die volgden begreep hij echter steeds meer dat het zoeken naar innerlijke rust het zoeken naar verlichting was en dat dit niet lukte zolang hij aspirant raja zou blijven. Hij voelde de druk van zijn vader om een groot leider te worden en van Bhaddakaccãnã om haar een kind te schenken en vader te worden. Het idee om samana te worden en de verlichting te bereiken sprak hem steeds meer aan. Een zoon zou de wens van Pajãpati half invullen en ook zijn vader zou een nieuwe opvolger hebben.

zijn verzaking

Siddhartha en Bhaddakaccãnã waren 13 jaar getrouwd toen ze op 29 jarige leeftijd een zoon kregen; Rahula. Enkele uren nadat zijn zoon was geboren heeft Siddhartha met steun van Channa zijn gezin verlaten om een samana te gaan worden. De legende verteld dat Siddhartha zonder dat iemand het wist weg is geslopen, maar uit de Majjhima Nikaya blijkt dat dit onjuist is:

Toen ik nog Bodhisattva was kreeg ik een gedachte: “een benauwenis is het huiselijk leven, een stoffig pad, het samanaschap is de vrije hemel”. Het is niet makkelijk voor iemand die thuis woont om de volmaakte volledige reine levenswandel der heiligheid te volvoeren. Als ik mij nu eens haar en baard zou afscheren, de gele gewaden zou omleggen en uit het huiselijk leven de thuisloosheid in zou trekken? En ik, die nog jong was, een knaap met zwart haar, die in gezegende jeugd verkeerde, in de kracht van mijn leven, schoor mij, hoewel mijn ouders het er niet mee eens waren en tranen in de ogen hadden en weenden, haar en baard af, legde de gele gewaden om en trok uit het huis weg de huisloosheid in Majjhima Nikaya 36, I, p.240.

Siddhartha trok als eerste naar het zuidelijk gelegen Anupiyã waar hij een week verbleef en vervolgens trok hij door naar Rãjagaha waar hij een ontmoeting had met de toenmalige koning Bimbisara die later een trouw volgeling en vriend van Gautama de Boeddha zou gaan worden. Kort daarna vertrok Siddhartha om te gaan studeren bij Ãlãra Kãlãma. Of hij deze leraar bewust opzocht of dat hij er per toeval bij terecht kwam is onbekend. Ãlara was geen grootheid op meditatiegebied en buiten de soetra’s wordt hij nauwelijks genoemd.

Zijn leer bestond uit een yoga-achtige vorm van meditatie waarin het bewustzijn één wordt met het oneindige, een methode welke -de toestand van onbegrensde ruimte- wordt genoemd. De vervolgstap was het inzicht dat de geest de bron is van alle verschijnselen en als je dit inzag dat je dan in een toestand van onstoffelijkheid terecht kwam ofwel de toestand van de leegte. Siddhartha zou dit stadia binnen een maand bereikt hebben en Ãlãra was erg onder de indruk. In de tussentijd was hij erachter gekomen dat zijn leerling een zoon van een radja was en zag in Siddhartha de ideale persoon om samen zijn gemeenschap te gaan leiden. Siddhartha had echter ingezien dat de toestand van onstoffelijkheid een diepe meditatietoestand was maar niet de innerlijke rust teweegbracht die nodig was om het lijden van ouderdom, ziekte en dood op te lossen. Hij verliet Ãlãra en stak de rivier de Ganges over om het koninkrijk Maghada in te trekken, een land welk bekend stond om zijn grote verscheidenheid aan spirituele leraren. Zo ontmoette hij asceten die geen kleding droegen en alleen leefden van producten uit het bos en primair hun lichaam verwaarloosden omdat zij dit zagen als onderdeel van het ego welke ze los probeerden te laten. Siddhartha vond deze methode te extreem aangezien iedereen de verlichting moeten kunnen bereiken zonder dergelijke extremen toe te passen. Gedurende 3 jaar zwierf Siddhartha rond en verbleef steeds in korte periodes bij verschillende leraren. Uiteindelijk kwam hij terecht bij Uddãlaka Ãruni.

In tegenstelling tot Ãlãra had Uddãlaka zijn visie niet door zelfinzicht verkregen maar gekregen van zijn vader Rãma. Het zou leiden tot de toestand van zonder waarnemen noch niet-waarnemen. In deze toestand wordt ingezien dat leegte iets anders is dan lege ruimte en iets anders is dan bewustzijn[30]. Alles wat overblijft is waarneming en het object van waarneming. Siddhartha bereikte dit stadium in 15 dagen en merkte op dat het een zeer rustgevende en vredige meditatie was maar dat het niet de problemen van leven en dood oploste. De rust besloeg alleen de duur van de meditatie, niet daarbuiten. Uddãlaka vond dat Siddhartha zijn verlichting bereikt had en bood hem de leiding over de gemeenschap aan die Siddhartha weigerde.

Gautama de asceet

Siddhartha had onderwijs gekregen van de 2 meest vooraanstaande meditatieleraren en wist dat andere leraren hem weinig meer zouden kunnen aanbieden. Het was nu 5 jaar geleden dat hij zijn gezin verlaten had en hij zag in dat hij van nu af aan middels zelfinzicht zijn verlichting moest gaan ontdekken. Hij stak de rivier de Neranjara over en kwam in het dorp Uruvela[31] aan de voet van de Dangsiri berg. Hier waren uitgestrekte wouden en er waren grotten en besloot hij te gaan mediteren gedurende een langere periode .

De eenzaamheid viel hem tegen en hij merkte op dat hij angst had voor wilde dieren en dat hij zich ‘s nachts onbehaaglijk en alleen voelde. Hij ging alle oefeningen herhalen welke hij in de afgelopen 5 jaar had geleerd en zo herinnerde hij zich ook de methoden van de asceten en hoewel hij zijn twijfels had begreep hij dat je geen vuur kunt maken van zacht, nat hout. Hij besloot deze methode ook te proberen en in plaats van dagelijks een bedelronde te maken deed hij dat nu eens per week en accepteerde ook niet meer dan wat in de holte van zijn hand paste. In plaats van zijn haren te scheren trok hij deze uit en hij stopte met elke vorm van lichaamsverzorging: “het meeste vuil valt er vanzelf wel weer af”. Hij trok zich steeds meer terug en woonde enige tijd op de lijkenvelden en begon de onverteerde stukjes in zijn eigen ontlasting en dat van voorbijtrekkende runderen te eten. Later noemt hij dit de grote vuilconsumptie.

Zijn ijzeren discipline dwong respect af in de omgeving en naast een groep bewonderaars kreeg hij ook 5 volgelingen die zijn voorbeeld gaan volgen. Eén van hen was de 15 jaar oudere brahmaanse priester Kondañña die aanwezig was bij zijn naamgevingceremonie. De overige volgelingen heetten Bhaddiya, Vappa, Mahãnãma en Assaji, allemaal zonen van Brahmanen en ex-leerlingen van Uddãlaka Ãruni. Ze maakten een afspraak dat de eerste die de verlichting zou bereiken het de anderen direct zou gaan onderwijzen.

Tijdens één van zijn meditaties herinnerde hij het ceremoniële eerste ploegen van het jaar waar hij als jongeling naar keek, hoe de ploeg door de aarde sneed en dit de aanleiding was voor een spontane en diepgaande meditatie. Hij zag in dat een diepgaande meditatie ook te bereiken is zonder ascese en hij herinnerde zich voornamelijk de vreugde en ontspanning welke hij elke keer ervoer als hij een nieuwe meditatietechniek aanleerde. Maar deze technieken waren altijd een middel om een hoger doel te bereiken en zodra hij dat probeerde verloor hij de vreugde. Hij ontdekte dat deze vreugde een heel andere vreugde was dan de vreugde van de begeerte en het ego en dat deze vreugde juist voedend is voor lichaam en geest en dat deze twee in balans moeten zijn om überhaupt te kunnen mediteren. Hij verwoorde het later als volgt:

Met deze methode, langs de weg, door middel van deze harde ascese bereikte ik geen bijzondere kennis en visie, de edelen waardig, die de menselijke toestand overstijgt. En waarom niet? Omdat ik dat edele inzicht (pañña) niet bereikte, dat, als men het heeft, de uitweg blijkt te zijn en voor de betrokkene al gehele vernietiging van het lijden met zich meebrengt.Majjhima Nikaya 12, I, p. 81.

Na het pad van ascese 6 jaar gevolgd te hebben besloot hij weer te gaan eten en wederom een samana te worden. Een gezonde geest in een gezond lichaam zorgde ervoor dat hij zowel op fysiek als op geestelijk niveau moest aansterken. Middels de technieken die hij bij Ãlãra en Uddãlaka had geleerd kon hij zijn geest weer tot rust en vrede brengen. Nadat hij dit stadium wederom bereikt en vervolgens gesystematiseerd had noemde hij dit proces de 4 fasen van verzinking[33]. Wat zijn leraren zagen als het eindpunt (het doel) van meditatie zag hij als het beginpunt. Er was rust gecreëerd en nu kon hij vanuit een neutrale observatie op zoek gaan naar de bronnen van onrust. Deze zoektocht zou hij later beschrijven als -het 3 weten- en dit deed hij onder een Bodhi boom gedurende een nachtelijke meditatie die hij opdeelde in 3 sessies/nachtwaken.

Tijdens de eerste nachtwake zag hij de wereld van verschijnselen waar hij zelf deel van uitmaakte, zag zijn voorgaande levens, zag het blad aan de boom waar tegelijk het water uit de wolken en de grondstoffen in de aarde aanwezig waren, zag het blad van de boom vallen en weer grondstof voor de aarde worden zag in dat geboorte en sterven niet bestaan maar deel uitmaken van de aanwezigheid van verschijnselen. Alles omvat alles en alles is van alles afhankelijk zonder een afzonderlijk, blijvend zelf te zijn. Hij besefte dat de verlichting in twee principes zat n.l.onderlinge afhankelijkheid en zelfloosheid. Dit eerste weten noemde hij vijiã. Tijdens zijn tweede nachtwake zag hij dat de bron van het lijden het onjuist geloof in bestendigheid en in het bestaan in een zelf voor ieder afzonderlijk is. Dit tweede weten noemde hij kamma (karma). Tijdens zijn derde nachtwake zag hij dat karma het lijden is dat de mens ervaart, dit lijden heeft een oorzaak en deze oorzaak is op te heffen. Siddhartha was bezig deze manier te ontdekken en de verlichting te bereiken door middel van juist spreken, juist handelen, juist levensonderhoud, juiste inspanning, juiste opmerkzaamheid, juiste concentratie, juiste gedachte en juist begrijpen (8-voudige pad). Dit derde weten noemde hij de 4 edele waarheden.

Toen hij deze 3 inzichten had gekregen realiseerde hij:

Verzekerd ben ik van mijn verlossing,
dit is mijn laatste geboorte,
opnieuw ontstaan zal ik niet meer!
Majjhima Nikaya 26, I, p. 167

Later zou hij vertellen dat onwetendheid als een cipier is die je leven na leven gevangen houdt in de wereld van verschijnselen. Hij wist dat hij de verlichting bereikt had, hij was nu 35 jaar oud.

Gautama de Boeddha

Boeddhabeeld uit India
Boeddhabeeld uit Vietnam

Het is niet geheel duidelijk hoe de eerste periode na zijn verlichting is verlopen. Wel is duidelijk dat hij ongeveer 5 weken in Uruvela is gebleven en dat hij in deze periode veelvuldig gemediteerd heeft. Centraal in deze periode stond de vraag: “En wat nu?” Zijn hele zoektocht was gericht om de bron van het lijden te achterhalen en deze te kunnen elimineren. Nu hij zijn zoektocht afgerond had wist hij nog niet precies wat hij met deze kennis moest gaan doen en in eerste instantie twijfelde hij of de leer überhaupt wel over te dragen was. Het was geen technische leer, niet rationeel maar juist inzichtelijk, subtiel, abstract en enkel vanuit ondervinding in meditatie te ervaren. Deels gaat het verhaal dat hij veel contact had met kinderen uit de omgeving en opmerkte dat hij zijn leer op hen toch kon overdragen. Deels gaat het verhaal dat hij door verschillende meditatieperiodes steeds gezeten onder een andere boom, tot de realisatie kwam dat hij zijn leer moest gaan uitdragen, hij wist alleen nog niet hoe.

Tijdens het observeren van een lotusvijver viel hem op hoe verschillend de lotusbloemen waren. Niet alleen qua ontwikkeling in groeistadium, maar ook qua kleur en vorm. Hij bedacht hoe verschillend de mensen zijn en dat er niet zo heel veel verschil is tussen een mens en een lotusbloem. Zodoende realiseerde hij zich dat zijn leer niet strikt diende te zijn maar op verschillende manieren moet kunnen worden uitgelegd. Hij verkoos zijn oude leraren Ãlãra en Uddãlaka als eerste proefpersonen want hij achte hen beiden in staat spoedig de verlichting te kunnen bereiken. Op zijn tocht terug ontmoette hij de asceet Upaka die hem vertelde dat Uddãlaka enige dagen geleden was overleden. Ook Ãlãra bleek onlangs overleden te zijn. Gautama de Boeddha besloot toen op zoek te gaan naar zijn 5 asceten-vrienden die hij in het hertenkamp in Isipathana[38] nabij de stad Varanasi vond. In eerste instantie waren de 5 asceten nog verbolgen over het feit dat Siddhartha het ascetisme had gestaakt wat zij zagen als een vlucht uit de zoektocht naar verlichting en zij negeerden Gautama de Boeddha. Toen ze echter zagen dat hij innerlijke vrede uitstraalde was hun interesse gewekt.

Om de mythe van Gautama de Boeddha en het ideaalbeeld van de verlichting weg te halen zijn er 2 episodes die opmerkelijk zijn. Tijdens zijn ontmoeting met Upaka merkte deze de uitstraling van innerlijke rust op en hij vroeg aan Gautama de Boeddha wie zijn leraar was. Deze antwoordde met trots dat hij verlost was door de vernietiging van de begeerte en dat hij een overwinnaar was. Daarom had hij geen leraar. Upaka was niet erg onder de indruk van zijn woorden en zei: Moge het zo zijn, broeder!. Toen hij zijn vrienden in Isipathana ontmoet had spraken zij hem aan met ãvuso wat ‘broeder’ betekent. Gautama protesteerde tegen deze aanspreekvorm en zei:

Monniken, spreek de tathãgata (zogekomende) niet aan met de naam en de aanduiding broeder (alsof hij jullie gelijke is). Een arhat (heilige), monniken, is de zogekomende, een volkomen ontwaakte!.

In andere teksten komt vaker naar voren dat Gautama de Boeddha na zijn verlichtingservaring, als Boeddha zijnde, ervoer tot een andere categorie van wezens te behoren en dat alleen de uiterlijke verschijningsvorm overeenkwam met hen die nog niet verlicht waren. Het is moeilijk hier geen egocentrisme in te gaan zien. Gautama bleef in de rest van zijn leven een bedelmonnik, had geen privileges en gedroeg zich niet anders dan andere monniken. Maar in zijn leer gold, dingen zijn zoals ze zijn, en een verlicht persoon was fundamenteel anders dan een niet-verlicht persoon.

Een andere mythe is dat Gautama de Boeddha volstrekt oordeelloos was. Als de soetra’s grondig gelezen worden valt op dat hij juist zeer sterk kon oordelen, zoals in zijn eerste lezing die hij gaf aan zijn 5 leerlingen Isipathana:

Monniken, er zijn twee uitersten die niet in praktijk gebracht dienen te worden door iemand die het wereldse leven verlaten heeft. Welke zijn deze twee? Er is beoefening van het najagen van plezier in de objecten van zintuiglijke begeerten, hetgeen minderwaardig, laag, vulgair, verachtelijk is, en niet naar het goede leidt. En er is beoefening van zelfkwelling, hetgeen pijnlijk is, verachtelijk, en niet naar het goede leidt.Mahãvagga van de Vin I, 6, 7 + 19-22.

zijn eerste lezing

In zijn eerste lezing, welke “Dhamma Cakka Pavattana Sutta“ is gaan heten legde Gautama de Boeddha voor het eerst de 4 edele waarheden uit en dit was ook voor het eerst dat hij sprak als leraar en zijn dharma aan anderen uitlegde. Kondañña was de eerste die de leer van Gautama de Boeddha volledig begreep en werd de eerste bhikkhu. In diezelfde periode is hij de soetra van de kenmerken van het niet-ik gaan uitleggen en dit was een fundamenteel andere visie dan welke leer of leraar tot dan toe had uitgelegd namelijk die waarin de ik-individu niet bestaat en dat de ziel niet bestaat en dat reïncarnatie zielloos is net als persoonlijkheid zielloos is. Dit sluit geheel aan bij zijn eerste lezing waarin hij onder andere uitlegt dat alles veranderlijk is. Binnen 3 maanden bereikten alle 5 zijn leerlingen de verlichting[44] en werden zodoende arhat[45]. Deze 6 verlichte personen bleven bij elkaar en Gautama de Boeddha noemde dit de sangha; een gemeenschap van degenen die in harmonie en in aandacht leven.

Kort daarna ontmoette Gautama de Boeddha Yasa de zoon van een rijke koopman uit Varanasi. Verveeld van alle rijkdom en vorm miste Yasa de inhoud van het leven en hij werd de 6e bhikkhu in de sangha. Zijn vader, eveneens onder de indruk, wilde ook de leer tot zich nemen maar kon zich niet vrijmaken van zijn werk en gezin. Hij werd upãsaka en de eerste die ingewijd werd met het aanroepen van de drie-eenheid (toevlucht nemen) welk tot op de dag van vandaag wordt toegepast:

Ik neem toevlucht tot de Boeddha
ik neem toevlucht tot de dharma
ik neem toevlucht tot de sangha.

De moeder van Yasa werd de eerste vrouwelijke upãsaka en vele vrienden en bekenden van de familie werden ook upãsaka of bhikkhu. Niet lang daarna telden de sangha 61 bhikkhu’s die uiteindelijk allemaal de verlichting vonden.

zijn karakter

Gautama de Boeddha wordt tegenwoordig vaak gezien als een liefdevol persoon die overal begrip voor heeft, altijd lacht en waar iedereen dol op is. Dit beeld klopt niet. In die tijd werd hij door veel mensen en vooral brahmanen gezien als een luis in de pels. De brahmanen hadden zichzelf tussen de burgerij en de goden geplaatst waarbij de burgers en de goden afhankelijk waren van de gunsten van de brahmaanse priester om de goden te bekoren met rituelen en offers. Zonder deze brahmanen konden de goden niets doen en werd de burgerij niet geholpen. Hun aanwezigheid was dus essentieel en dat lieten zij gelden in macht, status en rijkdom. Nu was er opeens een persoon die beweerde dat al het lijden niet veroorzaakt wordt door de goden maar door onszelf geschapen werden. Dat de oplossing van dit lijden in onszelf gezocht dient te worden en niet bij de goden die ook nog eens niet bestaan. Hiermee werd de noodzaak en het bestaansrecht van de brahmanen geheel weggehaald en alleen al vanuit financieel en sociaal oogpunt was dit voor de burgerij een zegen. Zij hoefden de priesters niet meer duur te betalen voor hun rituelen en offers en zij konden niet meer door deze priesters gechanteerd worden. Gautama de Boeddha vond een groot gehoor bij deze burgerij maar ook bij de kasten van de heersende macht, de radja’s en koningen. Zij moesten al eeuwenlang hun macht delen met de brahmanen en Gautama de Boeddha ontnam de macht van de brahmanen, maar niet van de heersende macht zolang deze maar zorgde voor goed bestuur. De fondsen die voorheen naar de brahmanen gingen werden nu aan Gautama de Boeddha besteed en op vele plaatsen ontstonden dharmaruimten en werden bhikkhu’s voorzien van de eerste voeding, pijen en ruimten. Er werd voor transport en infrastructuur gezorgd zodat mensen naar de lezingen konden komen en medische hulpposten en scholen werden opgericht voortkomend uit het 8-voudige pad: juist handelen.

De Brahmanen zagen dit met lede ogen aan. Hun invloedssfeer werd voor het eerst sinds eeuwen fundamenteel en in rap tempo aangetast. Ook de aanhangers van dit brahmanisme werden aangesproken. Zo beweerde Gautama de Boeddha dat rituele wassingen onzinnig waren en dat je door een wassing[48] niet je zonde kon reinigen. Ook de vuuroffers (wegbranden van de zonde) en de dieroffers aan de goden bestempelde hij als onzinnig:

Denk niet, o brahmaan, dat je door het leggen van brandhout
reinheid verkrijgt. Dit is slechts een uiterlijkheid.
Wie loutering nastreeft met uiterlijke middelen,
die wordt niet gelouterd, zo zeggen de wijzen.
amyuttanikãya 7, I, 9

Tot slot zei hij dat iedere vorm van cultus overbodig was. Hiermee maakte Gautama de Boeddha in bepaalde kringen zich niet erg geliefd. Er zijn meerdere moordpogingen op hem geweest en er is vaak geprobeerd hem in diskrediet te brengen.

In ditzelfde jaar 528 v. Chr. verbleef hij gedurende de moessonperiode in Isipathana. Deze regenperiode maakte het onmogelijk om te reizen en zodoende werd de moesson de vaste periode voor retraites. Dit was het enige jaar dat Gautama de Boeddha zijn retraite in Isipathana hield. Aan het einde van de moesson besloot hij de overdracht van de dharma niet meer als enige op zich te nemen maar de arhat’s in te zetten als missionarissen en zond deze alle richtingen uit. Met het heenzenden gaf hij hun ook de toestemming om mensen op te nemen in de sangha door de drie-voudige toevlucht af te nemen. Hiermee kwam de sangha los te staan van zijn oprichter en kon zonder aanwezigheid van Gautama de Boeddha een eigen leven leiden.

Na Isipathana besloot Gautama de Boeddha terug te gaan naar Uruvela, de plaats waar hij de verlichting vond. Hij wilde de families, die hem na zijn ascese periode hadden geholpen, bedanken en hun de dharma brengen. Op zijn reis heeft hij meerdere mensen opgenomen in de sangha en eenmaal aangekomen bleek dat 3 spirituele leraren met hun gevolg in en rond Uruvela woonden. Het waren broers[50] die als jatila asceet de vuur en watercultus bedreven en ieder een grote groep (enkele honderden) leerlingen hadden.

In een periode van discussie en meditatie liet Gautama de Boeddha duidelijk merken zich geen gelijke te voelen met de andere 3 spirituele leraren. Toen de oudste van de broers hem aansprak met “Gautama” zei hij -anderen spreken mij aan als de Boeddha-. Op een gegeven moment zei hij tegen dezelfde broer:

Kassapa, je bent noch een heilige, noch iemand die de weg naar heiligheid betreden heeft. Jouw levenswandel is niet van dien aard dat je er heilig door kunt worden of (zelfs maar) de weg naar heiligheid betreden kunt.

Het uiteindelijke resultaat was dat de drie broers en hun aanhang zich lieten opnemen als bhikkhu in de sangha. Direct moest er een structuur bedacht worden om de sangha te kunnen organiseren aangezien de asceten met hun dieroffers voor hun eigen voedselvoorziening zorgden en nu opeens bedelmonnik werden. Bij elkaar blijven zou een te grote druk leggen op de lokale bevolking en zodoende moest de groep opgesplitst en gereorganiseerd worden. Voordat de groep uiteen ging hield Gautama de Boeddha de soetra van het vuur. De sangha werd in snel tempo groter en verspreidde zich over een steeds groter gebied. Omdat iedereen bedelmonnik was legde dit een druk op de lokale bevolking en in de moessonperiode kon er niet rondgetrokken worden zodat er een conglomeratie ontstond welk niet alleen voeding, maar ook land en bouwmateriaal nodig had. Gautama de Boeddha begreep dat hij de heersende macht, en dan met name de radja’s en de koningen, voor zich moest winnen. Om die reden reisde hij na Uruvela door naar Rãjagaha. Hier had hij, kort na zijn vertrek van zijn gezin, een ontmoeting gehad met koning Bimbisãra van Maghada. Rond de jaarwisseling 528-527 v. Chr. werd Bimbisãra een upãsaka en schonk de sangha het park Veluvana (Bamboebos) om daar het eerste klooster op te richten. In navolging van de koning deden vele burgers hetzelfde en hiermee was het eerste Boeddhistische koninkrijk een feit. Onder de nieuwe bhikkhu’s bevonden zich Sãriputta en Moggallãna[53], die snel hun arhat-schap bereikten en meer dan 40 jaar bij Gautama de Boeddha bleven en tot zijn belangrijkste leerlingen behoorden. Twee andere toegetreden bhikkhu waren Kãludãyin en Channa, jeugdvrienden van Gautama de Boeddha die door diens vader gestuurd waren om zijn zoon over te halen terug te keren naar Kapilavastu. Gautama de Boeddha beloofde na de volgende moessonperiode huiswaarts te keren.

In 527 v. Chr. Ging Gautama de Boeddha op weg naar zijn geboortegrond en dit werd een ontmoeting die niet al te soepel verliep. Kãludãyin was al eerder vertrokken om de aankomst mede te delen en zodoende was alles reeds in paraatheid. Toen Gautama de Boeddha in Kapilavastu aanwam ging hij niet gelijk naar zijn gezin of ouders, maar deed eerst een bedelronde in de stad en ging daarna zijn ouders opzoeken. De eerste gesprekken met zijn vader, de radja Suddhodana waren allerminst harmonieus en Gautama de Boeddha moest veel verwijten aanhoren. Bhaddakaccãnã was nu 8 jaar een monniksweduwe geweest en had naast eerbied ook een boosheid ontwikkeld jegens haar vroegere man. Om dit te tonen stuurde zij hun zoon, Rãhula, naar zijn vader met de vraag wat zijn erfdeel is. Toen de jongen dit aan zijn vader vroeg gaf deze Sãriputta direct de opdracht de jongen in te wijden als novice en zijn mentor te gaan worden. Dit was zeer tegen het zere been van de radja dus nu zijn 2e beoogd opvolger zag verdwijnen. Deze boosheid werd er niet minder op toen ook de halfbroer van Gautama de Boeddha en, Nanda, ingewijd werd als Bhikkhu. Radja Suddhodana had nu geen enkele opvolger meer en uitte zijn boosheid tegen zijn zoon en bezwoer hem dat geen minderjarige in de sangha opgenomen mocht worden zonder toestemming van zijn ouders. Voor zover is dit de enige concessie die Gautama de Boeddha ooit gedaan heeft aan iemand van buiten de sangha. In al zijn andere beslissingen bleef hij de rest van zijn leven volstrekt compromisloos. Dit resulteerde dat hij elke man liet toetreden tot de sangha ongeacht de situatie waarin diens achterblijvende gezin in terecht kwam. Het verlies van een kostwinner betekende veelal armoede, maar Gautama de Boeddha vond het voordeel voor een bhikkhu om verlichting te bereiken groter dan het nadeel waarin het gezin in terecht kwam.

Naast de toetreding van Rãhula en Nanda zijn er opvallend weinig mensen uit zijn thuisstad die toevlucht namen. Veel burgers konden niet geloven dat de ooit verwendde Siddhartha nu een verlicht persoon was. Anderen durfden de stap niet te maken uit angst dat koning Pasenadi van Kosala, waar Sakya onder viel, de nieuwe geloofstroming niet zou accepteren. Zoals gebruikelijk werd enige dagen later het officiële ontvangst gevierd en werd er een feestmaal voor de sangha gehouden. Gautama de Boeddha heeft ook hier een lezing gehouden en dit deden zijn ouders inzien dat hun zoon werkelijk een verheven persoon was.

In de periode dat Siddhartha Gautama bezig was zijn verlichting te zoeken waren 7 personen uit Sakya eveneens vertrokken om ook hun verlichting te vinden. Deze 7 personen kwamen Gautama de Boeddha in Anupiyã tegen toen deze weer vertrokken was en zij besloten allen tot de sangha toe te treden. Onder deze 7 personen bevonden zich 3 neven van Gautama de Boeddha; Devadatta, Anuruddha en Ãnanda. Ãnanda werd later de vaste assistent Gautama de Boeddha en degene die de meeste soetra’s heeft geschreven.

Gautama de mahãpurisa

Boeddhabeeld uit Thailand
Boeddhabeeld uit Hongkong

In zijn lezing en zijn uitleg is Gautama de Boeddha nooit diep ingegaan wat nu precies verlichting is of hoe het voelt. Wel gaf hij onomwonden toe de hoogste staat van verlichting bereikt te hebben[55]. Zijn antwoord op vragen over de staat van verlichting was eigenlijk altijd eender: volg het pad en ervaar het zelf. In biografische beschrijvingen komen we soms wel te weten wat een verlichte wel of niet ervaart. Zo was Jivaka Komãrabhacca de lijfarts van koning Bimbisãra in 526 v. Chr, een upãsaka en arts van de sangha. Ook Gautama de Boeddha heeft hem in ieder geval 1 maal geconsulteerd wegens ‘disharmonie van de lichaamsvochten’ welke Jivaka verhielp middels oliemassages, laxeermiddelen, warme baden en vruchtensappen[56]. Een verlicht persoon kan dus ziek zijn, een afwijzing van het idee dat een verlichte een soort superpersoon zou zijn geworden. Dit is niet alleen een beeld welk nu hier heerst, maar ook in zijn tijd. 5 Jaar na het bereiken van de verlichting werd de naam mahãpurisa gebruikt om Gautama de Boeddha aan te duiden, een term welk letterlijk supermens betekent. Tijdens de moesson van 524 v. Chr. Kreeg Gautama de Boeddha een bode genaamd Mahãli op bezoek die namens koning Bimbisãra kwam vragen of hij naar Vesãli wilde komen om de droogte tegen te gaan. De moesson was daar niet uitgebroken en hongersnood en ziekte wegens slecht drinkwater begonnen hun tol te eisen. Gautama de Boeddha besloot te gaan en, toegeschreven als een groot wonder maar hoogstwaarschijnlijk niets anders dan toeval, braken de regens uit vlak nadat hij was aangekomen. Omdat er meerdere geleerden in de sangha waren zoals Anãnda en Jivaka was het niet heel moeilijk om hygiëneregels op te stellen[57] die ervoor zorgde dat er geen verdere uitbraak van cholera was. De status van Gautama de mahãpurisa werd hierdoor wel versterkt en hem viel grote verering en giften ten deel. Reden om al na 14 dagen terug te keren naar het bamboebos in Rãjagaha.

In deze periode groeide het boeddhisme snel en traden mensen uit alle lagen van de bevolking tot de sangha toe. Het is opmerkelijk hoeveel mensen uit de adelstand toetraden en hoeveel grondgebied, inclusief bebouwing, aan de sangha geschonken werd. Zo doneerde Jivaka Komãrabhacca de boomgaard Jivakambavana (mangoboomgaard), de bankier Sudatta Anãthapindika (voeder van de armen) kocht een park van prins Jeta[58] en doneerde deze en koning Pasenadi[59] van Kosala heeft meerdere schenkingen gedaan waaronder de rãjakãrãma (koningshoutklooster). Kosala was waarschijnlijk het land waar de dharma het best gedijde en dit kwam mede door de enorme bereidwilligheid, hulpvaardigheid en giftvrijheid van koning Pasenadi die zulke vormen aannam dat ministers openlijk kritiek begonnen te uiten op de koning. Niet omdat hij het boeddhisme steunde, maar wel in de mate waarin hij dat deed.

Vele mensen uit de adel waren al toegetreden tot de sangha en daarom was de verwondering in Kosala groot toen Gautama de Boeddha de eerste onaanraakbare[60] in de sangha toeliet. Zijn naam was Sunita en ze ontmoette elkaar aan de oevers van de ganges waar Sunita bezig was latrines te legen. Na een gesprek werd Sunita door Gautama de Boeddha en Sariputta gewassen en werd door Ananda voorzien van een pij. Ter plekke werd hij ingewijd als bhikkhu en meegenomen naar de sangha. Dit alles gebeurde ten overstaand van iedereen aanwezig bij de oevers. Nog nooit eerder was in Kosala een onaanraakbare toegelaten tot een spirituele school[61] en de gevolgen waren groots. De geschriften spreken van ‘burgeropstand’, ‘schending van heilige tradities’ en Gautama de Boeddha zou met deze daad de heersende orde willen aanvallen. Koning Pasenadi zelf heeft vervolgens de vorderingen van Sunita gevolgd en opgemerkt dat de dharma vatbaar is voor hem en dus voor iedereen, ongeacht zijn achtergrond.

Naast onaanraakbaren was er nog een groep welke tot nu toe nooit was toegelaten tot een spirituele school namelijk vrouwen. Bhikkhuni’s[62] bestonden niet en spirituele lering was strikt voor mannen, in elke spirituele school inclusief. Er waren wel vrouwen die als leek waren ingewijd, maar opname in de sangha was nog niet gebeurd. Deze vraag kwam van zijn pleegmoeder Pajãpati.

Gautama de Boeddha was in 524 v. Chr. teruggegaan naar zijn ouderlijk huis omdat zijn vader was komen te overlijden. Tijdens zijn verblijf vroeg Pajãpati tot 2 maal aan toe om vrouwen ook op te nemen in de sangha, te beginnen met haarzelf, en dit heeft hij beide keren geweigerd. Na zijn vaderstad te hebben verlaten ging hij naar Vesãli, niet wetende dat Pajãpati haar plan doorzette om Bhikkhuni te worden en haar hoofd kaalschoor en een pij aantrok. Tezamen met enkele andere vrouwen die eveneens Bhikkhuni wilde worden ging zij naar Vesãli om alsnog toestemming te krijgen. Daar aangekomen kwam ze als eerste Ananda tegen die de argumenten van de vrouwen begreep en voor hun ging pleiten bij Gautama de Boeddha.

Op Ananda’s vraag of vrouwen überhaupt de verlichting zoude kunnen bereiken antwoordde Gautama de Boeddha instemmend en na een discussie met meerdere bhikkhu’s stond Gautama de Boeddha het de vrouwen toe tot de sangha toe te treden. Dit is één van de weinige keren geweest dat hij een grote concessie deed naar de sangha toe. Daarom liet hij 8 extra regels opnemen waar de Bhikkhuni’s zich aan dienden te houden. Deze regels, en zijn eerdergenoemde weigering, waren niet ingegeven vanuit discriminatie of de gedachte dat vrouwen minder dan mannen waren. Voor hem was elk mens gelijk maar hij wist dat deze kennis te ver afstond van het volk, en om het Boeddhisme een kans te laten krijgen moest het volk er welwillend naar kijken. Hij vond het nog te vroeg vrouwen op te nemen, maar hij kwam nu voor een onvoldongen feit te staan. De sangha had groot verzet gekend toen hij een onaanraakbare toeliet en wist dat dit verzet groter zou worden als hij ook vrouwen zou gaan toelaten. Dit verzet zou niet alleen buiten de sangha gelden, maar ook binnen de sangha was het niet wenselijk mannen en vrouwen bij elkaar te hebben. Een bijkomend probleem was dat Pajãpati de stiefmoeder was van Gautama de Boeddha en zodoende een natuurlijk gezag zou gaan krijgen binnen de sangha. Daarom werden er, op het eerste gezicht, discriminerende leefregels uitgeschreven waaraan de Bhikkhuni’s zich dienden te houden.

  • een bhikkhuni dient altijd een bhikkhu als meerdere erkennen.
  • een bhikkhuni klooster dient in de nabijheid van een bhikkhu klooster te zijn om zo geestelijke steun te kunnen ontvangen en te kunnen studeren.
  • tweemaal per maand dient een bhikkhu lezing en lering aan te bieden aan de bhikkhuni’s.
  • na de moessonperiode moeten de bhikkhuni’s de Paravaranaplechtigheid bijwonen en verslag doen van hun vorderingen aan zowel bhikkhuni’s als bhikkhu’s.
  • telkens als een bhikkhuni een regel overtreedt dient zij een bekentenis af te leggen aan zowel bhikkhuni’s als bhikkhu’s.
  • na novice dient een bhikkhuni de toevlucht afleggen voor een gemeenschap van bhikkhuni’s en bhikkhu’s.
  • een bhikkhuni mag een bhikkhu niet bekritiseren of berispen.
  • een bhikkhuni mag geen dharma instructies geven aan een bhikkhu.

Gautama de Boeddha had altijd gezegd dat de dharma 1000 jaar zou blijven bestaan. Toen de vrouwen werden toegelaten zei hij dat de dharma slechts 500 jaar zou bestaan[65]. Hij heeft altijd deze twijfel gehouden.

De Sangha bleef sterk groeien, helemaal nu ook vrouwen werden toegelaten. Het idyllische idee dat iedereen vredelievend met elkaar omging en dat er geen problemen waren (zoals veelal verhaald in meerdere boeken) is onjuist. Een bhikkhu uit het Ghosita klooster van Kosambi was een keer vergeten het waterreservoir te verversen na deze gebruikt te hebben en werd op het matje geroepen door andere bhikkhu’s. Hij verklaarde onoplettend te zijn geweest maar geen regel te hebben overtreden. Het geval werd vervolgens onderzocht en hij werd schuldig bevonden van het overtreden van een hygiëne regel en uit de sangha gezet. De monnik was echter zeer geliefd en zodoende wilde vele medestanders ook de sangha verlaten en een eigen groep gaan oprichten. Dit alles escaleerde zo erg dat er een strijd begon met menig handgemeen. Hoewel dit leidde tot een scheuring in de sangha kon Gautama de Boeddha dit conflict beslechten. De bewuste bhikkhu bleef in de sangha, maar doordat de sangha groeide en zo ook het aantal kloosters kwamen er steeds vaker conflicten voor. Dit leidde ertoe dat er steeds meer regels en structuur werd ontwikkeld om de sangha te kunnen leiden, iets wat in essentie tegen de dharma in ging.

Meditatie vroeg om totale overgave om vandaar uit te kunnen inzien wie je werkelijk bent. Datgene waarvan je altijd dacht dat je het was, was niets anders dan conditioneringen van begeerte en aversie als aangeleerde processen. Nu werden nieuwe conditioneringen aangeleerd en dat was in essentie onjuist. Toch waren deze structuren nodig om de sangha, en dan met name de beginnelingen, te kunnen bijstaan in hun zoektocht. De meer gevorderde leerlingen hadden eerder last dan gemak van deze regels en Gautama de Boeddha begon hun een andere methode bij te brengen welke hij tantra noemde. Zowel het pad als het doel waren hetzelfde als datgene hij altijd al had onderwezen. Maar als geen ander begreep hij dat er meerdere manieren van uitleg noodzakelijk waren omdat niet iedereen gelijk is. De tantra werd ook wel “de geheime leer” of de “mystieke leer” genoemd. Binnen deze vorm van uitleg sprak Gautama de Boeddha over de drie dharmazegels en dat de ware dharma altijd deze drie zegels in zich droeg en dat inzicht in deze zegels regels en structuur overbodig maakte. Deze drie zegels waren leegte (sunnata)[66], kenmerkloosheid (animitta)[67] en doelloosheid (appanihita) en het inzien van deze zegels was een transformatie welk beleeft diende te worden. Zodoende waren dus ook 3 transformaties, dit inzien vraagt diep inzicht, dieper dan het brein kan bereiken en moet meditatief ingezien worden.

Gautama de Tathagata

Boeddhabeeld uit Afganistan

In de jaren die volgden groeide de sangha verder uit naar 18 kloosters. In het jaar 515 v. Chr. werd de zoon van Gautama de Boeddha 20 jaar en werd ingewijd als bhikkhu. Besloten werd dat Gautama de Boeddha tijdens elke moessonperiode in het centraal gelegen klooster van Savatthi zou gaan verblijven en dat Ananda zijn vaste assistent werd en alle lezingen op zou gaan schrijven[69]. Nu de sangha gevormd en de basis van zijn dharma gegeven en bekend was begon Gautama de Boeddha praktische inhoud te geven aan zijn leer; de Satipatthana sutta (de soetra over de 4 velden van aandacht). Dit was het begin van een meditatietechniek welk later bekend zou gaan worden als Vipassana[70]. In zijn geheime leer voor de gevorderde bhikkhu’s legde hij daarnaast ook nog de tenang[71] uit. Na de ruzies van enkele jaren geleden kwam, door de nieuwe structuur, steeds meer eerbied en respect voor de sangha. Dit werd vergroot toen Gautama de Boeddha de beruchte seriemoordenaar Angulimala opnam in zijn sangha en deze het geweld afzwoer. Gautama de Boeddha kreeg meerdere bijnamen, waaronder Sakyamuni. De term Tathagata gebruikte hijzelf veelvuldig als hij over zichzelf sprak om woorden als ‘ik’ en ‘mijn’ te voorkomen.

Toen Gautama de Boeddha 70 was merkte hij op dat zijn toenemende beroemdheid offers vroeg welke hij gezien zijn leeftijd niet meer kon waarmaken. Zo werd hij uitgenodigd om nieuwe kloosters te openen of bij bijzondere plechtigheden zowel binnen als buiten de sangha aanwezig te zijn. Het geven van de dharma lezingen, waar de mensen nog steeds in grote getallen op af kwamen, liet hij steeds meer over aan Sāriputta, Maha Moggallana en Mahā Kassapa.

de 3 moordaanslagen van Devadatta

Devadatta was de broer van Ananda en de neef van Gautama de Boeddha en had het plan geopperd om de sangha over te nemen, dit leidde in 491 v. Chr. tot de 2e scheuring binnen de sangha. Tijdens een bijeenkomst in het Veluvana klooster introduceerde Devadatta zijn plan maar werd publiekelijk terechtgewezen door Gautama de Boeddha die hem berispte en hem een khelasika (speekselslikker) noemde.

Devadatta was een jeugdvriend geweest van Gautama de Boeddha en had altijd gezien dat deze beter was op school, sport en muziek, slimmer en sterker was en ook beter lag bij anderen. De jaloersheid van toen begon nu om te slaan in haat. Hij probeerde de Boeddha tot drie maal toe te vermoorden[74], maar al zijn pogingen mislukten. Later paste Devadatta een andere tactiek toe, hij stelde vijf disciplinaire regels voor die bhikkhu’s voor de rest van hun leven zouden moeten nastreven. De Boeddha had geen enkel bezwaar tegen deze regels en stelde dat de bhikkhu’s vrij waren ze na te leven, op vrijwillige basis. Maar om praktische redenen was hij niet bereid deze regels in zijn algemeenheid te laten gelden. Eén van die regels was dat de sangha vegetarisch diende te worden omdat het doden van dieren onjuist was. Gautama de Boeddha was het daar in principe mee eens, maar stelde dat een bhikkhu een bedelmonnik is en moest accepteren datgene hij in zijn bedelnap kreeg. Was dat groente, dan at hij groente, was het vlees, dan at hij vlees. Een Bhikkhu moest dankbaar zijn en mocht geen eisen gaan stellen aan de gift.

Desondanks beweerde Devadatta dat de regels die door hem waren voorgesteld, veel beter waren dan de bestaande disciplinaire regels. Sommige bhikkhu’s waren het met hem eens. Gautama de Boeddha vroeg hem of hij een scheuring in de Sangha teweeg wilde brengen, hierop antwoordde Devadatta bevestigend. Gautama de Boeddha waarschuwde hem dat dit een zeer ernstige misdaad was, maar Devadatta schonk geen aandacht aan zijn waarschuwing. In een gesprek met zijn broer Ananda zei Devadatta dat hij de leiding zou gaan overnemen ongeacht wat Gautama de Boeddha ervan zou vinden. Ananda rapporteerde dit aan Gautama de Boeddha die hierop reageerde:

"Devadatta begaat een zeer ernstige misdaad; het zal hem naar de Avici niraya voeren. Voor een goed mens is het makkelijk om goede daden te doen, en moeilijk om slechte daden te doen; maar voor een slecht iemand, is het makkelijk om slechte dingen te doen en moeilijk om het goede te doen. In het leven is het inderdaad makkelijk om iets te doen dat slecht is en geen voordeel brengt, maar het is moeilijk om datgene te doen dat goed is en voordeel brengt."

Devadatta brak met de Sangha en vertrok met een gevolgd van vijfhonderd bhikkhu’s. Toen Sariputta en Maha Moggallana enige tijd later een bezoek brachten aan de sangha van Devadatta hadden veel bhikkhu’s reeds spijt en keerden terug naar Gautama de Boeddha. Vlak voor zijn sterven keerde Devadatta eveneens terug naar de sangha.

Zoals Gautama de Boeddha geen vragen beantwoordde over de verlichte staat, zo beantwoordde hij vaker bepaalde vragen niet. In een tweegesprek met de asceet Uttiya beantwoorde Gautama de Boeddha geen enkele vraag die hem gesteld werd. Later legde hij dit aan Ananda uit, dat alleen vragen die rechtstreeks met de praktische beoefening te maken hebben belangrijk zijn. Dat filosofische gesprekken je niet verder helpen en dat de leerstellingen slechts een lijdraad zijn voor de meditatie maar geen doctrine moet gaan worden. Zelfloosheid is een leerstelling, omdat het nu eenmaal zo is. Maar ga niet mediteren om zelfloos te worden want je bent het al, je hoeft het alleen maar in te zien. Meditatie is bedoeld om waarheden in te zien, niet om het gelijk van een doctrine te bereiken. Gautama de Boeddha legde zijn leer op verschillende manieren uit, omdat iedereen een andere benadering behoeft. Het bevattings- en interpretatievermogen van de toehoorder was belangrijk en hij gaf nooit meer dan dat de ontvanger kon dragen. Om vergelijkbare redenen weigerde hij soms mensen de dharma uit te leggen of op te nemen in de sangha.

Zijn overlijden

In 484 v. Chr. was Gautama de Boeddha 79 jaar en werd tijdens de moesson ernstig ziek. Ananda en anderen maakte zich zorgen, ooit zou hun leraar komen te overlijden en wie moest dan de sangha leiden. Gautama de Boeddha weigerde echter een opvolger aan te wijzen, hij zei: “Niet een leraar maar de leer (dharma) bepaald wie de nieuwe leider wordt”. Voor hem was de dharma de hoogste autoriteit, als deze maar innig begrepen wordt is al het andere bijzaak. Gautama de Boeddha herstelde en met een klein gevolg liep hij in meerdere etappes naar het noorden. In Pãvã werd de kleine groep uitgenodigd bij de smid Cunda voor het eten van de volgende dag. De maaltijd bestond uit meerdere gerechten waaronder sukaramaddava (varkensmals). Het gerecht kwam Gautama de de Boeddha bedenkelijk voor en hoewel hij er zelf van at gaf hij Cunda de opdracht zijn volgelingen iets anders voor te schotelen. Na het eten vertrok de groep weer maar Gautama de Boeddha werd overvallen door heftige buik- en maagkrampen, kolieken en diarree. In de buurt van Kusinãrã is hij gaan rusten en heeft Ananda op het hart gedrukt dat Cundu geen verwijten gemaakt mochten worden aangezien hij het allemaal met de beste bedoelingen heeft gedaan. Voor Gautama de Boeddha was het duidelijk dat hij op deze plek zou gaan sterven. Hij gaf Ananda opdrachten hoe men met zijn stoffelijk overschot moest omgaan. Ook gaf hij wederom aan dat de sangha geen leraar nodig had, behalve de leer zelf:

Misschien Ananda, komt bij één van jullie deze gedachte op: “het woord van de leraar is heengaan; wij hebben geen leraar meer.”
Maar dat moet niet zo gezien worden. De leer en de discipline, die door mij onderwezen en uiteengezet zijn, die zijn na mijn heengaan jullie leraar.

Dighanikãya 16, 6, I

Gautama de Boeddha stelde alle aanwezige bhikkhu’s in de gelegenheid een laatste vraag te stellen, maar iedereen gaf aan dat er geen onduidelijkheid was. Gautama de Boeddha sprak vervolgens zijn laatste woorden uit:

“Welaan dan, monniken, ik zeg jullie, wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig; streeft niet aflatend (naar het onvergankelijke, het nirvana)!”
Dighanikãya 16, 6, 7

Gautama de Boeddha stierf in de maand vesãkha in het jaar 483 v. Chr.

Biografie in 34 schilderingen (film)

Literatuurlijst

  • De historische Boeddha, Asoka, 9789056702205
  • De schatten van de Boeddha, Tom Lowenstein, H.F. Ullmann, 9783833146848
  • Het evangelie van Boeddha, Paul Carus, Ankh-Hermes, 9020233076
  • In de voetsporen van de Boeddha, Thich Nhat hanh, Altamira-Becht, 9789069637075
  • Lexicon Boeddhisme, Ingrid Fischer-Schreiber, Frank-Karl Ehrhard, Michael S. Diener, Asoka, 9789789056701710
  • Lopen in het voetspoor van de Boeddha, Maarten Olthof, Ten Have, 9789025959272