Banner-wiki.png

Mahā Kassapa

Uit Dharma-Lotus
Ga naar: navigatie, zoeken
Maha Kassapa

Categorie indeling
Home
Boeddhisme
Personen uit de Pali-canon
Personen uit de pali canon
Sangha
Arhats
Arhats
Ananda
Anuruddha
Assaji
Khema
Maha Moggallana
Mahā Kassapa
Pajāpatī Gotamī
Purna
Rahula
Subhūti
Sāriputta
Uppalavanna
Upâli
Yasodhara
Overigen
Alara Kalama
Ambapali
Aṅgulimāla
Bimbisara
Devadatta
Pasenadi
Dhamma wiel

'Mahā Kassapa was een belangrijkste leerling van 'Gautama de Boeddha (M.32). Vooral na de dood van zijn leraar heeft Maha Kassapa een prominente rol gespeeld tijdens het 1e boeddhistische concilie. Hier werd de 1e versie van de Pali-canon samengesteld. Hoe wij heden ten dage het boeddhisme kunnen bestuderen is voor een groot deel te danken geweest aan deze man.

Zijn wereldse leven

Kassapa geboortenaam is Pippali en zijn geboorteplaats is Magadha in het dorp Mahātittha in India. Hij was zoon van de rijke brahmaan Kapila, zijn moeder heette Sumanādevi. Al op jonge leeftijd had hij de wens om asceet te worden maar hij beloofde zijn ouders voor hen te zorgen tot hun overlijden. Hoewel hij niet wilde liet hij zich overhalen om te trouwen met Bhadda Kapilani, dochter van een rijke brahmaan. Omdat ook zij liever als asceet leefde besloot het paar een celibatair leven te voeren. Vele jaren leefden zij in geluk en rijkdom samen zonder zorgen. Na de dood van Pippali's ouders wilde hij het wereldse leven verzaken om asceet te worden, Bhadda Kapilani had dezelfde plannen. Volgens de commentaren kleedden zij zich in vaalgele gewaden, scheerden het hoofdhaar af en gingen met een aarden nap op weg. Wij dragen de verdiensten van dit uit het huis gaan op aan de arahants in de wereld zouden zij gezegd hebben. Zij gingen niet samen maar kozen ieder een andere route, op zoek naar het hoge doel van arahantschap.

zijn leven als monnik

Pippali ontmoette Gautama de Boeddha in het eerste jaar van diens verlichting en leraarschap. Toen Pippali vroeg opgenomen te kunnen worden in de sangha zei Boeddha dat hij het volgende moest gaan beoefenen:

Pijnlijke zekerheid en fijngevoeligheid moeten aanwezig zijn.'
Wat voor leerreden je ook zult horen die het goede bevatten, die moet je allemaal opnemen en overwegen.
Oplettend moet je naar de leer luisteren.
Voortdurend moet je oplettendheid bij het lichaam uitoefenen.
(S.16.11).

Pippali werd in de sangha opgenomen en kreeg de naam Kassapa. Later werd deze naam uitgebreid met "Mahā" om hem te onderscheiden van andere monniken met de naam Kassapa omdat hij grote eigenschappen had. Zo oefende hij strenge praktijken (dhutanga) uit, leefde voornamelijk in een bos of op een heuvel. Hij droeg gewaden die genaaid waren van zelf verzamelde lompen. Volgens de Pali-canon bereikte hij reeds op de achtste dag na opname de verlichting (S.16.11). Gautama de Boeddha prees Mahā Kassapa als voorbeeld wat betreft tevredenheid. Want Kassapa was tevreden met elk gewaad, met elke aalmoes, met elke slaapplaats, met elk gebruiksvoorwerp en elk geneesmiddel. (S.16.1). Eens kreeg Mahā Kassapa een beetje eten van een melaatse. Toen deze het voedsel in de nap deed, viel een vinger van die melaatse in de nap. Mahā Kassapa at het eten op en voelde geen afkeer tijdens het eten noch erna. (Thag. 1054-1057).

Mahā Kassapa vermeed zoveel mogelijk het gezelschap van anderen. Hij vond dat teveel afleiding en dan was concentratie moeilijk. (Thag. 1051-1053). Na de rondgang naar aalmoezen ging Mahā Kassapa onvermoeid naar de top van een heuvel. Daar ging hij mediteren, vrij en ongebonden. (Thag. 1058-1061). Hij hield ervan te vertoeven in de vrije natuur. Hij was graag in de heuvels bedekt met wijnranken waar heldere koele beken stroomden, waar de geluiden van olifanten en pauwhanen weerklonken, waar apen in bomen klommen en herten rondliepen, en waar groepen vogels rondvlogen. Op zulke plekken ging hij graag mediteren, vastberaden en oplettend. (Thag. 1062-1070). Mahā Kassapa verbleef echter soms ook bij de monniken in kloosters zoals blijkt uit meerdere suttas. Hij had enkele leerlingen die zijn strenge praktijken navolgden. (S.14.15).

Het overlijden van Gautama de Boeddha

Mahā Kassapa was niet aanwezig bij het overlijden van Gautama de Boeddha in Kushinagar. Boeddha was daar met Ananda en een klein gevolg dat niet goed wist hoe ze de crematieplechtigheden moesten organiseren. Algemeen werd aangenomen dat wanneer Boeddha zou overlijden Mahā Kassapa alles zou regelen. Maar deze was met een grote groep monniken onderweg van Pāvā naar Kushinagar en kreeg van een asceet (Ajīvaka) te horen dat hun leraar reeds zeven dagen geleden was overleden. Het duurde hierna nog enkele dagen voor Mahā Kassapa in Kushinagar de plechtigheden kon organiseren. Gautama de Boeddha had voor zijn dood tegen Ananda gezegd dat er geen nieuwe leider van de Sangha zou komen, de Dharma was de leider. Ook zei hij dat er een vergadering diende te komen waarin vastgesteld zou worden welke soetra's, boekdelen en lezingen in de Pali-canon zouden komen en welke niet. Omdat Mahā Kassapa de oudste was wierp hij zich op als voorzitter van het 1e concilie. Mede door zijn strengheid ontstond er tijdens dit 1e concilie het zaadje dat honderden jaren later zou leiden tot een twee-scheuring binnen de sangha.

overlijden van Mahā Kassapa

Het is onduidelijk hoe oud Mahā Kassapa is geworden. Vast staat dat hij heel oud is geworden en sommige bronnen spreken van 120 jaar maar dat is niet zeker.