Banner-wiki.png

Meridianen

Uit Dharma-Lotus Wiki
Ga naar: navigatie, zoeken
Categorie indeling
Home
Energetisch lichaam
De meridianen
Yinwei (Yin Link) channel, C17-18 Chinese book art Wellcome L0039982.jpg
Meridianen
de belangrijkste meridianen
long meridiaan
dikke darm meridiaan
dunne darm meridiaan
maag meridiaan
milt meridiaan
hart meridiaan
blaas meridiaan
nier meridiaan
Hartconstrictor meridiaan
Drievoudige verwarmer
galblaas meridiaan
lever meridiaan
Muladhara.png

Volgens de Chinese geneeswijze heeft elk lichaam twaalf energieën die in vastgestelde banen, genaamd meridianen stromen. Deze meridianen stromen over en in het hele lichaam en verbinden lichaamsdelen, organen, zintuigen en de psyche met elkaar. Meridianen werden 6.000 jaar geleden voor het eerst benoemd in de Veda’s door de oosterse geneeskundigen en worden uitgelegd als symmetrische energetische banen die de acupunctuurpunten en organen verbinden. Via de meridianen en acupunctuurpunten wordt gecommuniceerd tussen verschillende delen van het lichaam.


De functie van een meridiaan komt niet overeen met de functie van het gerelateerde orgaan in de westerse geneeswijze. Dat kan vaak verwarring geven want een behandelaar spreekt bijvoorbeeld over de galblaasenergie. Dit betekent niet dat hij een oordeel geeft hoe de galblaas als orgaan werkt. De behandelaar bedoelt met de galblaasenergie een totaal aan verschillende lichamelijke en geestelijke klachten die zich kunnen voordoen. Deze verwarring bestaat al sinds de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Pas toen kwam er informatie vrij uit China over de duizend jaar oude traditionele geneeswijze. De grootste fout werd gemaakt toen men de Chinese termen ging vertalen naar het Engels, Duits, Frans, Spaans en Nederlands. Zo is de naam voor de galblaas meridiaan in het Chinees is Zu Chao Yang. Deze meridiaan verbindt het oog met de vierde teen en heeft een verbinding met de galblaas. In het westen heeft men de meridianen de naam gegeven van het orgaan dat met die meridiaan verbonden is, in dit geval de galblaasmeridiaan. Vandaar dat de behandelaar altijd een orgaan-energie noemt.

Westerse en Oosterse visie

In het kader van het Chinees geneeskundig denken komen termen als lymfocyten, antilichamen, immuunsysteem e.d. in het geheel niet voor, om de eenvoudige reden dat ten tijde van het ontstaan van de Chinese geneeskunde (en dat is alweer duizenden jaren geleden!) deze terminologie niet bestond. Bovendien is de filosofie van de Chinese geneeswijze fundamenteel anders dan de westerse benadering van ziekte en gezondheid, en toch heeft ze, zelfs na zoveel jaren, nog niet aan betekenis ingeboet.

Gezondheid in de Chinese denkwijze is geen optelsom van kwantitatieve fenomenen zoals bloedsuikerspiegel, zuurgraad van de urine, hormoon-spiegels, en dergelijke. Men gaat uit van datgene wat rechtstreeks met onze zintuigen waarneembaar is, zoals gelaatskleur, lichaamsgeur, ademhaling, polsslag, kleur van de urine en ontlasting, pijnen etc. en op basis van de zo verkregen gegevens wordt vastgesteld in hoeverre de gezondheid aangetast is, wat wordt uitgedrukt in termen van energieverstoring. Anders gezegd: Gezondheid is een theoretisch energetische toestand van harmonie, waarin geen van de lichamelijke tekens abnormaal zijn. Ook volgens de Chinese denkwijze gaat men uit van de aanwezigheid van een aantal belangrijke organen, die onderling in nauw relatie met elkaar staan en die verantwoordelijk zijn voor de realisering van de diverse lichaamsfuncties. Er is echter een heel groot verschil in benadering. In het Westers medisch denken is een orgaan voornamelijk een anatomisch gegeven, waarvan de structuren bekend zijn, waarin chemische reacties vastgesteld worden, kortom de materiele kant van een orgaan krijgt de aandacht. De essentie van de Chinese denkwijze met betrekking tot organen, is niet zozeer het zich concentreren op vaste, materiele structuren, maar veeleer zal men de aandacht richten op de dynamische, energetische aspecten van elk orgaan afzonderlijk.

Bij bijvoorbeeld de milt, zal het duidelijk zijn dat in de Chinese denkwereld hiermee niet een boonvormig orgaan, ergens in de buikholte bedoeld wordt, maar veeleer een totaliteit van dynamische functionele activiteiten. Hapering van een of meerdere van deze functies, manifesteren zich in direct waarneembare tekens, zal daarom tot de conclusie leiden dat de milt in zijn functie gestoord is.

radio actieve tracers

Sinds 1978 proberen wetenschappers via het inspuiten van een radio actieve stof in het lichaam (radioactieve tracing methoden) aan te tonen dat meridianen bestaan. Verschillende onderzoekers lieten zien dat na het inspuiten van een radioactieve tracer een duidelijke lijn zichtbaar werd welke correspondeerde met één van de meridianen. Tegenstanders zeggen dat deze lijnen de lymfevaten representeren.

In de ‘Journal of Nuclear Medicine’ van 1992 is een artikel gepubliceerd waarin met radioactieve tracers de meridianen werden onderzocht. De resultaten van dit onderzoek wijzen duidelijk op het fysieke bestaan van de meridianen. Verschillende onderzoeksgroepen uit Frankrijk, Roemenië, China en Spanje hebben onafhankelijk van elkaar vergelijkbare resultaten verkregen na het injecteren van radioactieve tracers in acupunctuurpunten. De meest gebruikte radioactieve stof, natrium pertechnaat, wordt na het lokaliseren van een acupunctuurpunt op een diepte van 3-5 mm ingespoten. Een langzame lineaire verspreiding wordt dan waargenomen tot een afstand van ongeveer 30 cm. Een controle-injectie in een niet-acupunctuurpunt laat alleen een plaatselijke verspreiding van de tracer zien.

Het tegenargument dat deze verspreiding via de aderen geschiedt, wordt weerlegd door een aantal experimentele studies. De verspreiding van de radioactieve stof vanuit een acupunctuurpunt is langzaam (ongeveer 3 tot 5 cm per minuut), in tegenstelling tot het aderlijke transport. Als de tracer in een ader wordt gespoten, volgt de tracer direct de aderlijke route en is de radioactieve stof verdwenen in minder dan een minuut. De verspreiding van de radioactieve stof gespoten in een acupunctuurpunt vereist enkele minuten, waarna het signaal langzaam verdwijnt in tientallen minuten. Ook is radioactief Technetium ingespoten in een acupunctuurpunt en tegelijkertijd een ander radioactieve stof ingespoten in de ernaast liggende lymfevat. Twee verschillende beelden werden verkregen, waarin de routes als ook de snelheid en de verdwijning van de tracers verschilden. Een ander onderzoek laat zien dat na het inspuiten van een radioactieve tracer in “Dikke Darm 18” een verspreiding vertoont naar de bovenlip, dit is de tegenovergestelde richting van de veneuze circulatie.

Ook blijkt dat transport van de tracers via meridianen niet te verklaren is vanuit transport via de lymfevaten. Om lymfevaten en –klieren aan te tonen, wordt lymfografie gebruikt: een radioactieve tracer wordt tussen de grote en de tweede teen ingespoten. In dit gebied ligt ook het acupunctuurpunt “Lever 2”, op de levermeridiaan die loopt aan de binnenkant van het been. Het tracerverloop was duidelijk verschillend tussen de injectie in Lever 2 en de plaats voor de lymfografie. Na 2 uur was er geen tracing te vinden in lymfeklieren, na het inspuiten van Lever 2, terwijl de injectie volgens de klassieke lymfografie duidelijk de lymfevaten en –klieren aankleurde.

Een andere studie liet zien dat wanneer patiënten met een eenzijdige nierziekte werden ingespoten in acupunctuurpunten van de niermeridiaan aan beide kanten van het lichaam, het tracingpatroon tussen links en rechts zeer verschillend was.

Uit al dit laboratoriumonderzoek blijkt duidelijk dat meridianen geen hypothetische constructen zijn die de Chinezen indertijd als filosofisch concept bedachten, maar dat meridianen daadwerkelijk ook fysiek bestaan. Tenslotte vermelden we een klinisch fenomeen dat het fysieke bestaan van meridianen ondersteunt, de zogenaamde Lineaire rashes. lineaire rode huidverkleuringen die de meridianen volgen. Meridianen kunnen soms gezien worden bij bepaalde huidaandoeningen. Bijvoorbeeld bij en verkleuring van de pericardmeridiaan en de niermeridiaan. Boeiend is ook dat beide meridianen via de meridiaanklok verbonden met elkaar zijn, dat de energie dus aansluitend door beide meridianen vloeit om zo arm en been te verbinden.

De endorfine hypothese is een moderne verklaring van het acupunctuureffect bij pijnsyndromen. Echter, een paar eigenschappen van de acupunctuur die niet met gevoeligheid van pijn samenhangen zijn moeilijk te verklaren vanuit deze theorie:

De aspecifieke activatie van acupunctuurpunten

Het therapeutisch effect van acupunctuur kan bereikt worden door verschillende stimuli, niet alleen met naalden, maar ook met hitte, ultrageluid, laser en druk. Receptoren in het algemeen reageren meestal alleen op één specifieke prikkel.

het regulerend effect van acupunctuur

De stimulatie resulteert gewoonlijk in een eenduidig effect zoals het verlagen van de hartslag. Het prikken van het acupunctuurpunt Pericard 6 daarentegen, zorgt voor een verhoging van het hartritme bij de aanwezigheid van bradycardie en een verlaging van het hartritme bij tachycardie. Om de diverse therapeutische reacties te verklaren die optreden bij behandeling met acupunctuur, is in de jaren tachtig een andere theorie ontwikkeld, met de mooie naam ‘de morfogenetische singulaire theorie’ Deze theorie sluit andere verklaringswijzen niet uit. De theorie gaat er vanuit dat acupunctuurpunten en meridianen een overblijfsel zijn van het groeicontrolesysteem, die in de embryonale fase van cruciaal belang is voor het optimaal en op de juiste plaats aanleggen van organen en lichaamsdelen.

de embryonale fase

De ontwikkeling van de foetus is een wonderbaarlijk proces, waarin communicatie tussen cellen van essentieel belang is. Elke cel heeft zijn eigen plaats en functie in het embryo. Indien de communicatie tussen cellen verstoord is, ontstaat er gestoorde. Tumorcellen houden bijvoorbeeld geen rekening met elkaar en met de omgeving. Het geheim van de embryonale fase is bij lange na nog niet ontrafeld. Morfogenese is de leer van het ontstaan van anatomische vormen uit een bevruchte eicel. Al bij de conceptie en de eerste splitsing van de bevruchte cel blijken ionstromen een cruciale rol te vervullen binnen de morfogenese. De ionstromen veroorzaken polarisatie welke de richting van de verdere celdeling en celgroei beïnvloedt. Cellen hebben namelijk de eigenschap om naar de negatieve pool toe te groeien. In het begin van de embryonale fase zijn er weinig cellen die onderling functioneel met elkaar verbonden zijn via de ‘gap junctions’. Gap junctions zijn hexagonale proteïnecomplexen, die kanalen vormen tussen naast elkaar liggende cellen. Door deze kanalen wordt intercellulaire communicatie gefaciliteerd middels ionstromen.

Wanneer de cellen te ver uit elkaar gaan liggen, splitsen de communicerende cellen zich in twee onafhankelijk van elkaar opererende groeicentra. De twee centra reguleren en controleren de groei van de cellen er omheen. Deze groepen cellen worden ‘organizing centres’ genoemd en hebben een hoge dichtheid van gap junctions, een hoge elektrische geleiding en zijn te vinden op het oppervlak van het embryo. Tussen de organizing centres ontwikkelen zich orgaansystemen zoals bloedvaten, zenuwen, lymfevaten, spieren en botten. Ook groeien cellen naar de organizing centres toe, als ze zich aan de uiteinden van het embryo bevinden. Dit is mooi te zien bij de ontwikkeling van een muizenpoot, hoe op de plaatsen, waar de organizing centres zich bevinden, uitstulpingen ontstaan.

Naarmate de ontwikkeling van het embryo vordert, ontstaat er een web van organizing centres die de morfogenese controleren en reguleren. De communicatie tussen de centres gaat via de extracellulaire matrix, zoals collageen. Het aandeel van collageen in de lichaamsproteïnen is tussen de 30% en 40%. Collageen heeft als belangrijke eigenschap dat het fungeert als halfgeleider. Halfgeleiding heeft naast metaal- en iongeleiding de eigenschap, om elektrische stromen over te brengen, en wel zeer kleine stromen over lange afstanden. Voor de eigenschap van halfgeleiding moeten stoffen een zeer ordelijke moleculaire structuur hebben, zoals kristalijne structuren. Szent-Gyorgyi liet als eerste zien dat bepaalde organische moleculen, zoals collageen, genoeg georganiseerd zijn om halfgeleiding te veroorzaken. Rond 1880 ontdekten Pierre en Jacques Curie het piezoelektrisch fenomeen. Bepaalde kristallen, zoals Kwarts, produceren elektrische potentialen wanneer ze door bepaalde krachten, als druk, gedeformeerd raken. Omgekeerd wordt het kristal gedeformeerd als een elektrisch veld in de omgeving ontstaat. Dit fenomeen wordt gebruikt in kwartshorloges, waarin klein elektrisch veld wordt aangelegd, om de kleine kwartskristallen te laten deformeren en zo zwart worden.

Collageen en ook myosine, actine en fibrine blijken dergelijke piezoelektrische eigenschappen te bezitten. Het lichaam is continJe onderhevig aan krachten zoals zwaartekrachten en beweging, waardoor constant piezoelektrische effecten ontstaan. Het bindweefsel vormt dus een netwerk in het lichaam, dat informatie kan vervoeren over langere afstand via halfgeleiding, piezoelektriciteit en op korte afstand via gap junctions tussen de organizing centres.

Volgens de morfogenetische singulaire theorie bestaat het groeicontrole systeem uit een netwerk van organizing centres. De ontwikkeling en het onderhouden van fysiologische systemen zijn direct afhankelijk van het groeicontrole systeem. De ontdekking van regulerende gap junction systemen in zowel primitieve organismen als in zoogdieren, maakt het aannemelijk dat het groeicontrole systeem het oudste orgaansysteem is in de evolutie. Verdere ondersteuning van deze aanname is dat het groeicontrole systeem in de embryonale fase al actief is en de andere fysiologische orgaansystemen vooraf gaat, ontwikkelt en reguleert. Hierdoor heeft het groeicontrole systeem overlap en interactie met andere fysiologische systemen zoals het zenuwstelsel en het bloedvatstelsel.

Organizing centres en acupunctuurpunten hebben vergelijkbare fysiologische eigenschappen Beide hebben een hoge elektrische geleidbaarheid, een verlaagde oppervlakte weerstand, een verhoogde concentratie van gap junctions en kunnen geactiveerd worden door non-specifieke stimuli. Acupunctuurpunten zijn o.a. te vinden op de uiteinden, verhevenheden of depressies van lichaamsstructuren, zoals rond gewrichten en op de buiken en aanhechtingen van spieren; zo ook zijn de organizing centres te vinden op dergelijke locaties, zoals de apicale ectodermale rand of in concave gebieden zoals de neurale buis. Verbindingen tussen de organizing centres zijn vergelijkbaar met de meridianen uit de TCM. Ook de meridianen lopen op de grenzen van de structuren van het lichaam. De Ren Mai meridiaan loopt bijvoorbeeld op de linea alba tussen de buiken van de musculus rectus abdominis.

regulerende effecten

Het regulerend en controlerend effect van de organizing centres met hun onderlinge netwerk in het groeicontrole systeem is terug te vinden in de acupunctuur. De morfogenetische singulaire theorie gaat er van uit dat het acupunctuursysteem met zijn meridianen afstammen van het groei controle systeem. Doordat het groeicontrole systeem aan de basis staat, heeft manipulatie aan dit systeem ook direct effect op uiteenlopende gebieden. Dit kan het brede scala van acupunctuureffecten verklaren. De effecten variëren van versnelde systemische wondgenezing tot analgesie. De neuronhumorale theorie verklaart deze effecten via verhoogde afgifte van endorfinen, serotonine, groeihormoon en ACTH, maar gaat voorbij aan het regulerend effect van acupunctuur. Doordat tussen de organizing centres lymfevaten, bloedvaten, zenJeen, spieren en botten ontstaan en in de groei gereguleerd worden door het groeicontrole systeem, is de morfogenetische singulaire theorie een overkoepelende theorie, waarin de acupunctuurverklaringen via neurohumorale mechanismen goed inpassen. De morfogenetische singulaire theorie kan daarbij ook de regulerende effecten en de aspecifieke activatie van acupunctuurpunten verklaren.