Banner-wiki.png

Abhidhamma

Uit Dharma-Lotus
Ga naar: navigatie, zoeken

Meditatie mini-retraite.png
Meditatie retraite.png
Voetsporen vd Boeddha.png

Het hart van de Abhidhamma filosofie is de Abhidhamma Pitaka, een van de onderdelen van de Pali-canon, dat door het Theravada Boeddhisme als de gezaghebbende vertolking van de leer van de Boeddha wordt erkend. Dit canon is samengesteld tijdens drie grote Boeddhistische concilies die in India in de eerste eeuwen na het heen gaan van de Boeddha werden gehouden:

  • de eerste in Rajagaha, 3 maanden na het parinibbana van de Boeddha, bijeengeroepen door vijf honderd hoge senior monniken onder lijding van de Eerwaarde Mahakassapa
  • de tweede, in Vesali, honderd jaar later
  • de derde, in Pataliputta, twee honderd jaar later.

De canon dat uit deze concilies voort kwam, behouden in de Middel Indiase taal die nu Pali wordt genoemd, staat bekent als de Tipitaka, de drie “manden” of verzamelingen van de leer.

  • De eerste verzameling, de Vinaya Pitaka, is het boek van discipline, waarin de gedragsregels van de bhikkhu’s en bhikkhunis – de monniken en nonnen – en de regelgeving betreffende de Sangha, de monastische orde, staan vervat. * De Sutta Pitaka, de tweede verzameling, brengt de Boeddha’s leerredenen die door hem op verschillende momenten werden gegeven tijdens zijn vijfenveertig jarige leraarschap, bij elkaar.
  • De derde verzameling is de Abhidhamma Pitaka, de “mand” van de Boeddha’s “hogere” of “speciale” leer.

Abhidhamma Pitaka

Dit derde grote onderdeel van het Pali canon wordt gekenmerkt door een duidelijk verschillend karakter vergeleken met de andere twee onderdelen. Waar de Sutta’s en Vinaya een duidelijk praktisch doel hebben, namelijk het verkondigen van een scherp omlijnde boodschap over bevrijding, en het voorzien van een methode van persoonlijke training, geeft de Abhidhamma Pitaka het beeld af een abstracte en hoog technische sytematisatie van de leer te zijn. De verzameling bestaat uit zeven boeken: de Dhammasangani, de Vibhanga, de Dhatukatha, de Puggalapaññatti, de Kathavatthu, de Yamaka, en de Patthana. In tegenstelling tot de Sutta’s, zijn dit geen in schrift opgenomen leerredenen en discussies uit het dagelijks leven; ze zijn, veel meer, geheel ontwikkelde uiteenzettingen waarin de principes van de leer methodisch georganiseerd, minutieus gedefinieerd, en minutieus getabelleerd en geclassificeerd zijn. Ondanks dat ze zonder twijfel oorspronkelijk mondeling samengesteld en overgeleverd werden en pas later zijn opgeschreven, samen met de rest van het canon in de eerste eeuw v.Chr., tonen zij de kwaliteiten van een gestructureerd gedachtegoed met rigoureuze consistentie, typerend voor het geschreven woord.

In de Theravada traditie geniet de Abhidhamma Pitaka het hoogste aanzien, vereerd als het kroonjuweel van de Boeddhistische geschriften. Dit hoogste aanzien valt bijvoorbeeld te zien doordat, Koning Kassapa V (tiende eeuw n.Chr.) in Sri Lanka de hele Abhidhamma Pitaka in gouden platen heeft laten ingraveren en het eerste boek met edelstenen heeft laten bezetten, terwijl een andere koning, Vijayabahu (elfde eeuw) de Dhammasangani elke ochtend voordat hij aan zijn Koninklijke taken begon bestudeerde en er een Sinhaleze vertaling van heeft geschreven. Bij vluchtig lezen echter, is deze verering van de Abhidhamma moeilijk te begrijpen. De tekst lijkt niets meer dan een academische oefening in het manipuleren van termen uit de leer, zwaarwichtig en zich tot vermoeiends toe herhalend.

De reden voor de diepe verering van de Abhidhamma Pitaka wordt pas duidelijk bij grondig bestuderen en diepgaand reflecteren, ondernomen in de overtuiging dat deze oude teksten iets belangrijks over te brengen hebben. Wanneer men de Abhidhamma verhandelingen met een dergelijke instelling benadert en wat inzichten in hun wijde implicaties en organische eenheid verkrijgt, zal men vinden dat ze niets minder trachten, dan het verwoorden van een alomvattende visie over de totaliteit van de ervaren realiteit, een visie gekenmerkt door uitgebreidheid van omvang, systematische volledigheid, en analytische precisie. Vanuit het standpunt van het orthodoxe Theravada is het systeem dat zij verklaren niet een verzinsel van speculatief denken, niet een mozaïek samengesteld uit metafysische hypothesen, maar een onthulling van de ware natuur van het bestaan zoals gekend door een bewustzijn dat de totaliteit van de dingen zowel in diepte als in het fijnste detail heeft doorgrond. Omdat het dit karakter heeft, acht de Theravada traditie de Abhidhamma de meest perfect mogelijke uiting van de Boeddha’s ongehinderde alwetende kennis (sabbaññuta-ñana). Het is zijn verklaring over hoe de dingen verschijnen aan het bewustzijn van een Volledig Verlichte, geordend in overeenkomst met de twee polen van zijn leer: lijden en het ophouden van lijden.

filosofie, een psychologie, en een ethische leer

Het systeem dat de Abhidhamma Pitaka verwoord is tegelijkertijd een filosofie, een psychologie, en een ethische leer, allen geïntegreerd in het kader van een programma tot bevrijding. De Abhidhamma kan als een filosofie worden omschreven omdat het een ontologie voorstelt, een perspectief op de ware natuur van de realiteit. Dit perspectief wordt de “dhamma theorie” (dhammavada) genoemd. In het kort stelt de dhamma theorie dat de ultieme realiteit uit een veelvoud van elementaire bestanddelen bestaat, die dhamma’s worden genoemd. De dhamma’s zijn geen noumena verstopt achter fenomenen, geen “dingen op zichzelf” in tegenstelling tot “enkel schijn,” maar de fundamentele bestanddelen van de actualiteit. De dhamma’s zijn globaal te verdelen in twee klassen: de ongeconditioneerde dhamma, welk alleen Nibbana is, en de geconditioneerde dhamma’s, de momentaire mentale en materiële fenomenen die het proces van ervaren vormen. De bekende wereld van substantiële objecten en blijvende personen is, volgens de dhamma theorie, een conceptueel construct, dat door het bewustzijn middels de onbewerkte data verkregen van de dhamma’s, wordt gevormd. De entiteiten van ons dagelijkse referentie kader bezitten niet meer dan een afgesproken realiteit, afgeleid van het fundamentele stratum van de dhamma’s. Het zijn de dhamma’s alleen, die ultieme realiteit bezitten: een vast bestaan “vanuit hun eigen kant” (sarupato) onafhankelijk van de conceptuele verwerking van de data door het bewustzijn.

Eendergelijke opvatting van de ware natuur van de realiteit lijkt al impliciet in de Sutta Pitaka aanwezig te zijn, vooral in de Boeddha’s verhandelingen over de aggregaten, de zintuig basissen, elementen, afhankelijk ontstaan, etc., maar het blijft daar stilzwijgend in de achtergrond, als onderstroom van de meer pragmatisch geformuleerde leringen van de Sutta’s. Zelfs in de Abhidhamma Pitaka zelf wordt de dhamma theorie nog niet als expliciete filosofische leerstelling gepresenteerd; dit komt pas later, in de Commentaren. Niettemin, hoewel alleen maar impliciet, komt de theorie toch in beeld in zijn rol van het regulerende principe achter de evidentere taak van de Abhidhamma, het project van systematisering.

Dit project begint vanuit de veronderstelling dat er, om de wijsheid te verkrijgen die de dingen kent “zoals ze daadwerkelijk zijn”, een scherpe wig gedreven dient te worden tussen die typen entiteiten die ontologische ultimiteit bezitten, dat wil zeggen, de dhamma’s, en die typen entiteiten die alleen bestaan als conceptuele constructen maar verkeerd gegrepen worden als werkelijk in ultieme zin. Voortgaand vanuit dit onderscheid poneert de Abhidhamma een vast aantal dhamma’s als de bouwblokken van de actualiteit, de meesten afkomstig uit de Sutta’s. Er wordt dan verder gegaan met het definiëren van alle termen uit de leer, zoals gebruikt in de Sutta’s, op een manier die hun identiteit in overeenstemming met de ontologische ultiemen zoals erkend door het systeem, onthult. Op basis van deze definities worden de dhamma’s op grondige wijze in een net van vooraf bepaalde categorieën en modi van verwantschap geclassificeerd, die hun plek in het systeem benadrukken. En omdat het system wordt gezien als een getrouw beeld van de actualiteit, betekent dit dat de classificatie de plek van elke dhamma binnen de algehele structuur van de actualiteit nauwkeurig aanwijst.

De poging van de Abhidhamma om de ware natuur van de realiteit te begrijpen begint, in tegenstelling tot de klassieke wetenschap in het Westen, niet vanaf het standpunt van een neutrale waarnemer die naar buiten toe de externe wereld in kijkt. De primaire zorg van de Abhidhamma is de ware natuur van de ervaringswereld te begrijpen en zodoende is de realiteit waarop het zich richt de bewuste realiteit, de wereld zoals gegeven vanuit de ervaring, wat zowel kennis als het gekende in de breedste zin omvat. Om deze reden buigt de filosofische onderneming van de Abhidhamma zich om tot een fenomenologische psychologie. Om het begrijpen van de te ervaren realiteit te faciliteren, begint de Abhidhamma aan een uitvoerige analyse van het bewustzijn, zoals deze zich aanbiedt tijdens introspectieve meditatie. Het classificeert bewustzijn in een verscheidenheid van typen, specificeert de factoren en functies van elk type, correleert ze met hun objecten en fysiologische basissen, en toont hoe de verschillende typen van bewustzijn zich aan elkaar en aan materiële fenomenen koppelen, om zo het voortdurende proces van ervaring te vormen.

Deze analyse van het bewustzijn komt niet voort uit theoretische nieuwsgierigheid, maar uit het overheersend praktische doel van de Boeddha’s leer, het bereiken van bevrijding van lijden. Omdat de Buddha het lijden tot onze bedorven houdingen herlijdt – een mentale oriëntatie geworteld in hebberigheid, haat, en onwetendheid – neemt de Abhidhamma’s fenomenologische psychologie ook het karakter van een psychologische ethiek aan, waarbij het woord “ethiek” niet in de nauwe zin van een morele code, maar als complete gids tot nobel leven en mentale zuivering gezien moet worden. Dienovereenkomstig vinden we dat de Abhidhamma toestanden van het bewustzijn hoofdzakelijk onderscheidt op basis van ethische criteria: de heilzame en de onheilzame, de wonderschone factoren en de vervuilingen. De schematisering van het bewustzijn volgt een hiërarchisch plan dat overeenkomt met de successievelijke stadia van zuivering die de Boeddhistische volgeling bereikt door het beoefenen van de Boeddha’s weg. Dit plan traceert de verfijning van het bewustzijn door een reeks meditatieve absorpties, de fijn-materiele-sfeer en immateriële-sfeer jhana’s, en dan door de stadia van inzicht en de wijsheid van de bovenwereldse paden en vruchten. Ten slotte toont het dat het hele scala aan ethische ontwikkeling culmineert in de perfectie van zuivering welk wordt verkregen met het bewustzijn’s onherroepelijke emancipatie van alle vervuilingen.

Alle drie de dimensies van de Abhidhamma – de filosofische, de psychologische, en de ethische – ontlenen hun uiteindelijke rechtvaardiging vanuit de hoekstenen van de Boeddha’s leer, het programma van bevrijding aangekondigd door de Vier Nobele Waarheden. Het ontologische onderzoek van dhamma’s stamt van de Boeddha’s uitspraak dat de nobele waarheid van het lijden, geïdentificeerd met de wereld van geconditioneerde fenomenen als geheel, volledig begrepen dient te worden (pariññeyya). De prominentie van mentale verontreinigingen en vereisten voor verlichting in de schema’s van de categorieën, wijzend op het psychologische en ethische belang, verbinden de Abhidhamma met de tweede en vierde nobele waarheden, de oorzaak van het lijden en de weg die voert naar het einde ervan. En de gehele taxonomie van dhamma’s uitgewerkt door het systeem bereikt zijn vervolmaking in het “ongeconditioneerde element” (asankhata dhatu), Nibbana, de derde nobele waarheid, die van het einde van het lijden.