Banner-wiki.png
Banner-wiki-2.png

Stromingen binnen het boeddhisme

Uit Dharma-Lotus
Ga naar: navigatie, zoeken

Verdeling van de grote boeddhistische stromingen

Wat Gautama de Boeddha onderwees is door de eeuwen heen op verschillende manieren geformuleerd en beoefend. Er zijn hierin vier hoofdstromen te onderscheiden, waar de huidige sangha’s in Nederland deel van uitmaken.

3 stromingen

De huidige drie boeddhistische hoofdstromingen zijn het Theravada, Mahayana en Vajrayana.

  • Theravada is de oudste school en houdt zich voornamelijk met de geschriften bezig en de bevrijding van het individu en is voornamelijk verspreid naar Zuidoost-Azië.
  • Mahayana is ook bekend als het "grote voertuig" en richt zich op verlossing voor iedereen en is voornamelijk verspreid naar het noorden, zoals China en Japan.
  • Vajrayana is ook bekend als het "diamanten voertuig" of tantrisch boeddhisme, en is een onderdeel van het Mahayana. Dit is de meest esoterische school en is voornamelijk verspreid naar Tibet en de landen daaromheen, maar wordt ook gevonden in China en Japan.

Boeddhisme scholen.PNG


Terminologie

De terminologie voor de belangrijkste onderdelen van het boeddhisme kan verwarrend zijn, aangezien het boeddhisme door geleerden en beoefenaars op verschillende manieren wordt verdeeld volgens geografische, historische en filosofische criteria, waarbij verschillende termen vaak in verschillende contexten worden gebruikt. De volgende termen kunnen worden aangetroffen in beschrijvingen van de belangrijkste boeddhistische divisies:

Conservatief boeddhisme

  • een alternatieve naam voor de vroege boeddhistische scholen. De scholen waarin het boeddhisme in de eerste paar eeuwen verdeeld raakte; slechts één van deze overleeft als onafhankelijke school; Theravāda
  • een term die door geleerden wordt gebruikt om de boeddhistische tradities van Japan, Korea en het grootste deel van China en Zuidoost-Azië te dekken
  • een alternatieve naam die door sommige geleerden wordt gebruikt voor het Oost-Aziatische boeddhisme; soms ook gebruikt om te verwijzen naar alle traditionele vormen van boeddhisme, in tegenstelling tot westerse vormen.
  • Mahayana-teksten zoals de Lotus Soetra en de Avatamsaka Soetra probeerden alle verschillende leringen op één geweldige manier te verenigen. Deze teksten dienen als inspiratie voor het gebruik van de term Ekayāna in de betekenis van "één voertuig". Dit 'ene voertuig' werd een sleutelaspect van de leerstellingen en praktijken van de boeddhistische sekten van Tiantai en Tendai, die vervolgens de leerstellingen en praktijken van Chán en Zen beïnvloedden. In Japan inspireerde de lering van de Lotus Soetra ook tot de vorming van de Nichiren-sekte.

Esoterisch boeddhisme

  • meestal beschouwd als synoniem met "Vajrayāna". Sommige geleerden hebben de term toegepast op bepaalde praktijken die in de Theravāda worden aangetroffen, vooral in Cambodja.
  • betekent letterlijk "mindere auto." Het wordt als een controversiële term beschouwd wanneer het door de Mahāyāna wordt toegepast om ten onrechte naar de Theravāda-school te verwijzen, en wordt als zodanig algemeen beschouwd als neerbuigend en pejoratief. Bovendien verwijst Hīnayāna naar de nu niet bestaande scholen met een beperkt aantal opvattingen, praktijken en resultaten, voorafgaand aan de ontwikkeling van de Mahāyāna-tradities. De term wordt momenteel het vaakst gebruikt als een manier om een ​​etappe op het pad in het Tibetaans boeddhisme te beschrijven, maar wordt vaak ten onrechte verward met de hedendaagse Theravāda-traditie, die veel complexer, gediversifieerder en dieper is dan de letterlijke en beperkende definitie die wordt toegeschreven aan Hīnayāna. Het gebruik ervan in wetenschappelijke publicaties wordt nu ook als controversieel beschouwd.

Lamaïsme

  • een oude term, die soms nog wordt gebruikt, synoniem met Tibetaans boeddhisme; algemeen beschouwd als denigrerend.

Mahāyāna

  • een beweging die voortkwam uit vroege boeddhistische scholen , samen met zijn latere afstammelingen, het Oost-Aziatische en Tibetaanse boeddhisme. Vajrayāna-tradities worden soms afzonderlijk vermeld. Het belangrijkste gebruik van de term in Oost-Aziatische en Tibetaanse tradities heeft betrekking op spirituele niveaus, ongeacht de school.

Mainstream boeddhisme

  • een term die door sommige geleerden werd gebruikt voor de vroege boeddhistische scholen.

Mantrayāna

  • meestal beschouwd als synoniem met "Vajrayāna". De Tendai- school in Japan wordt beschreven als beïnvloed door Mantrayana.

Navayāna

  • ("nieuw voertuig") verwijst naar de herinterpretatie van het boeddhisme door de moderne Indiase jurist en sociaal hervormer BR Ambedkar.
  • een niet-monastiek, op kaste gebaseerd boeddhisme met patrilineaire afkomst en Sanskrietteksten.
  • een niet-denigrerende vervangende term voor Hinayana of de vroege boeddhistische scholen.

Niet-Mahāyāna

  • een alternatieve term voor de vroege boeddhistische scholen.
  • een alternatieve term die door sommige geleerden wordt gebruikt voor het Tibetaans boeddhisme. Ook een oudere term die soms nog wordt gebruikt om zowel Oost-Aziatische als Tibetaanse tradities te omvatten. Het is zelfs gebruikt om alleen naar het Oost-Aziatische boeddhisme te verwijzen, zonder het Tibetaans boeddhisme.

Geheime mantra

  • een alternatieve weergave van Mantrayāna, een meer letterlijke vertaling van de term die door scholen in het Tibetaans boeddhisme wordt gebruikt wanneer ze naar zichzelf verwijzen.

Sektarisch boeddhisme

  • een alternatieve naam voor de vroege boeddhistische scholen.
  • een alternatieve naam die door sommige geleerden voor Theravāda wordt gebruikt.
  • een alternatieve naam gebruikt door sommige geleerden voor Theravāda.
  • een alternatieve term die soms voor de vroege boeddhistische scholen werd gebruikt.

Tantrayāna of Tantrisch boeddhisme

  • meestal beschouwd als synoniem met "Vajrayāna". Een geleerde beschrijft echter dat de tantra-indelingen van sommige edities van de Tibetaanse geschriften Śravakayāna-, Mahāyāna- en Vajrayāna-teksten omvatten. Sommige geleerden, in het bijzonder François Bizot, hebben de term " Tantrische Theravada " gebruikt om te verwijzen naar bepaalde praktijken die vooral in Cambodja voorkomen.
  • het boeddhisme van Sri Lanka , Bangladesh , Birma , Thailand , Laos , Cambodja en delen van Vietnam , China , India en Maleisië . Het is de enige overgebleven vertegenwoordiger van de historische vroege boeddhistische scholen . De term "Theravāda" wordt soms ook gebruikt om te verwijzen naar alle vroege boeddhistische scholen.
  • meestal begrepen als het boeddhisme van Tibet, Mongolië, Bhutan en delen van China, India en Rusland, die de Tibetaanse traditie volgen.
  • een beweging die is ontstaan ​​uit het Indiase Mahāyāna, samen met zijn latere nakomelingen. Er is enige onenigheid over welke tradities precies in deze categorie vallen. Het wordt algemeen erkend dat het Tibetaans boeddhisme onder deze noemer valt; velen omvatten ook de Japanse Shingon- school. Sommige geleerden passen de term ook toe op de Koreaanse milgyo-traditie, die geen aparte school is. Een geleerde zegt: 'Ondanks de inspanningen van generaties boeddhistische denkers, blijft het buitengewoon moeilijk om precies vast te stellen wat de Vajrayana onderscheidt.'

Theravada boeddhisme

De geschiedenis van het Theravada voert terug naar de gemeenschap van monniken in de tijd van de Boeddha ( ca. 450 v. Chr. tot ca. 370 v. Chr.) die zijn entourage vormden, bekend onder de naam Sangha. Na het overlijden van de Boeddha (ca 370 v. Chr.) ontstonden er door splitsingen in de Sangha verschillende vroeg boeddhistische scholen. Theravada was de hoofdstroming, waar de andere scholen door afsplitsingen uit voortkwamen. Theravada is de enige van deze vroege scholen die nog steeds bestaat.

de 3 korven

Theravada stond in de historische bronnen bekend onder de namen Sthaviravāda en Vibhajyavāda. 'Sthavira' is Sanskriet voor het Pali woord 'Thera' (ouderling), en wordt gebruikt om alle vroege boeddhistische scholen aan te duiden. 'Vibhajya' refereert aan 'analyse', de benaming werd gedurende de periode van koning Asoka (268 v. Chr. tot 263 v. Chr.) gebruikt. De sterk analytische benadering van de werkelijkheid, vindt men terug in de wijze waarop in de Abhidhamma de werkelijkheid beschreven wordt. De Abhidhamma maakt deel uit van een bundel geschriften die omstreeks 250 v. Chr. werd opgetekend uit de recitaties van de volgelingen van de Boeddha. Deze geschriften werden ingedeeld in drie bundels, die de ‘Drie Korven’ (Ti Pitaka) werd genoemd:

  • de Sutta Pitaka bevat de leerredes
  • de Vinaya Pitaka bevat de reglementen van de Sangha
  • de Abhidhamma Pitaka biedt een diepgaande analyse van de fysieke en mentale werkelijkheid

de leer

Centraal in het Theravada staan het begrip dukkha (lijden, frictie, onvrede) en de weg naar bevrijding uit dukkha. Dit wordt weergegeven in de Vier Edele Waarheden die de Boeddha in zijn eerste prediking uiteenzette:

  • er is lijden
  • er is een oorzaak van lijden
  • er is beëindiging van lijden
  • er is een weg die voert naar het einde van lijden.

De weg naar het ophouden van lijden wordt beschreven als Het 8-voudige pad, dat drie trainingen omvat:

  • sila (ethiek en moraliteit)
  • samadhi (concentratie en kalmte van geest)
  • panna (wijsheid of inzicht)

Door oefening op dit pad kan de mens zich vrij maken van lijden en de staat van verlichting realiseren. Hij is dan volledig vrij van hartstochten, boosheid en verblinding, vrij van alle bezoedelingen en bindingen met het bestaan. Een persoon die dit bereikt heeft wordt een verlichte (Arhat) genoemd. De ontwikkeling naar perfectie heeft een gradueel verloop, uitgebeeld in de vier graden van heiligheid:

  • stroomwinnaar
  • eenmalig terugkerende
  • niet terugkerende
  • Arhat

Ethiek en moraliteit (Sila)

De beoefenaars, ook bekend als yogi's, proberen zich zo te beheersen in spreken en handelen dat zij noch zichzelf noch anderen schade berokkenen. Daartoe nemen zij de vijf leefregels als uitgangspunt, die uitgebreid kunnen worden tot acht of tien; voor monnikken en nonnen zijn er respectievelijk 227 en 311 leefregels. Leken-yogi’s beoefenen afhankelijk van hun niveau van overtuiging en mentale vermogen de drie- ; de vijf- ; de vijf plus drie spraak regels ; de acht en de tien leefregels. De oefening in juist gedrag wordt als een basis beschouwd voor verdere mentale ontwikkeling (meditatie).

Meditatie (samadhi en panna)

Het Achtvoudige Pad omvat twee vormen van meditatie: de kalmtemeditatie en de inzichtsmeditatie. Met kalmtemediatie (ook wel samatha genoemd) wordt de rusteloze geest beteugeld en de geestkracht gebundeld. Dit kan leiden tot diepe stadia van concentratie (ook wel absorbtie of jhana genoemd). Door inzichtsmeditatie (vipassana) doorschouwt de yogi de drie fundamentele kenmerken van van het bestaan: de onbestendigheid (anicca) en de uiteindelijke onbevredigenheid (dukkha) van alle fysieke en mentale verschijnselen en het ontbreken van een duurzaam, sturend zelf (anatta). Daardoor neemt de hechting aan fysieke en mentale verschijnselen af en kunnen de verschillende stadia van verlichting gerealiseerd worden.

Deugden en volmaaktheden

Degene die het Achtvoudige Pad bewandelt, ontwikkelt tevens wat de Boeddha de Vier Kardinale Deugden en de Tien Volmaaktheden of Perfecties noemde. De Kardinale Deugden omvatten liefdevolle welwillendheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid. De Tien Perfecties omvatten - naast liefdevolle welwillendheid en gelijkmoedigheid - : vrijgevigheid, juist handelen, onthouding, wijsheid, energie, geduld, betrouwbaarheid en vastberadenheid. De Perfecties vinden in de Boeddha en in de Arahats (volledig verlichten) hun hoogste invulling.

Het moderne Theravada-boeddhisme

In het moderne Theravada-boeddhisme vormt de wederzijdse afhankelijkheid van de Sangha van monniken en de lekengemeenschap, de basis van de maatschappelijke taakverdeling. Daarbij richten de leken zich op de sociaaleconomische activiteiten en de Sangha zich op de geestelijke en spirituele gezondheid van de samenleving. Tegenwoordig is Theravada de hoofdstroming in Sri Lanka, Myanmar, Thailand – Laos – Cambodja, Maleisië en Indonesië. Vandaar dat het vaak met de term “Zuidelijk Boeddhisme” wordt aangeduid . Het aantal boeddhisten in Zuid en Zuidoost Azië wordt geschat op 146 miljoen mensen. Het is in die landen gebruikelijk dat kinderen tijdelijk in het klooster toetreden en weer uittreden en er is voor leken die zich geroepen voelen ook de mogelijkheid om voor een langere periode of voorgoed monnik of non te worden.

Lees hier een uitgebreid artikel over het theravada boeddhisme

Mahayana boeddhisme

Zen (Chinees: Chán, Vietnamees: Thiền, Koreaans: Seon) is een school van het Mahayana-boeddhisme die zich in China gedurende de Tang-dynastie heeft ontwikkeld en later werd overgebracht naar Vietnam, Korea en Japan. Zen is de Japanse naam waaronder het in het Westen het meest bekend is geworden. Zoals alle andere scholen van het Boeddhisme heeft ook zen in de loop van haar geschiedenis veel kenmerken aangenomen van de omgeving waarin het wortel schoot; in China werd het bijvoorbeeld sterk beïnvloed door het Taoïsme en het Confucianisme. Maar over het algemeen wordt zen gezien als een traditie die zich vooral richt op de directe religieuze ervaring en de liefde en het mededogen dat vanuit die ervaring opgeroepen kunnen worden. Uitgangspunt daarbij is dat iedereen kan delen in de wijsheid van de Boeddha door zichzelf en de wereld te leren herkennen als een onmetelijk en naadloos geheel.

In theoretisch opzicht is zen vooral gebaseerd op Mahayana-bronnen zoals Yogacara, de Tathagatagarbha- en Avatamsaka-soetra's met hun nadruk op onze inherente boeddha-natuur en het bodhisattva-ideaal. Ook de Prajnaparamita-, Diamant-, Lankavatara-, Lotus- en Shurangama-soetra worden vaak aangehaald. In de praktijk richt zen zich echter vooral op de manier waarop de inzichten die in deze geschriften vermeld staan ervaren kunnen worden. Daarom worden de literaire bronnen wel vergeleken met vingers die naar de maan wijzen, en vaak wordt voor de overdracht van de dharma het rechtstreekse contact met een bevoegde leraar van groter belang geacht dan de studie van teksten. Ironisch genoeg heeft de zentraditie zelf een grote bijdrage geleverd aan de boeddhistische literatuur met de levensverhalen van zenmeesters waarin o.a. hun verlichtingservaring beschreven wordt. Later werden beknopte versies van deze verhalen gebundeld en gebruikt als onderwerp van meditatie (koan).

Volgens een legende die in de Chinese Tang-dynastie ontstaan is, werd de kern van zen door Shakyamuni Boeddha overgedragen op Mahakyashapa, op het moment dat de Boeddha een bloem ophield voor zijn leerlingen en Mahakyashapa als enige glimlachte. Later droeg Mahakyashapa deze mysterieuze kern op zijn beurt over aan Ananda, die het weer verder overdroeg aan een van zijn leerlingen. Daardoor ontstond het fenomeen van opvolgingslijnen die tot op heden doorgaan. In dharma-overdracht wordt de verlichtingservaring van een leerling erkend door de leraar en dit heeft de authenticiteit van de dharma door de eeuwen heen beschermd.

Bodhidharma, die deze traditie van India naar China bracht, heeft de kern van zen zo gekarakteriseerd:

Zen wordt doorgegeven los van boeken,
Buiten woorden en begrippen om.
Kijk rechtstreeks in je eigen geest,
Ontdek je ware aard en word Boeddha.

Het woord zen betekent meditatie en naast het directe contact met een leermeester is zazen (zittende meditatie) meestal het belangrijkste element van de zenbeoefening, met name in het Westen. Daarnaast krijgen ritueel, studie en sociale activiteiten in de diverse zentradities een verschillende nadruk.

In de klassieke geschriften, zoals die van de Japanse Eihei Dogen (1200-1253), wordt zazen vaak beschreven als een proces waarin we onze aandacht naar binnen keren en onze inherente boeddha-natuur wakker maken. Met andere woorden, we keren ons af van de objecten van waarneming en richten ons direct op datgene dat waarneemt. Het gevolg hiervan is dat we ons bevrijden van allerlei projecties en voorkeuren waardoor onze waarnemingskanalen gezuiverd worden. Als we onze aandacht daarna weer op de wereld richten, zien we die in een ander licht; de dingen gaan meer tot ons spreken, in een taal die aanzet tot liefdevolle respons. Dit wordt vaak shikantaza genoemd; zitten in volledige aandacht. In al zijn eenvoud is het tegelijkertijd de gemakkelijkste en moeilijkste manier van mediteren.

Shikantaza kent echter veel verschillende niveaus en om onze blik te verruimen is het vaak nodig om op een actieve manier specifieke denk- en gevoelspatronen aan de kaak te stellen. Koans blijken daar uitstekend geschikt voor te zijn: korte teksten - meestal overgeleverde dialogen tussen een meester en leerling - die de boeddhistische leer in een notendop aanbieden en gebruikt kunnen worden gebruikt als object van meditatie. De leraar geeft de leerling een koan en verwacht een spontane presentatie van de essentie ervan in een persoonlijk onderhoud (dokusan). Een eerste reeks van koans richt zich op het ervaren van de wereld als een ondeelbaar geheel. Meer gevorderde koans richten zich op de eindeloze verscheidenheid binnen dit geheel, de innige verbondenheid tussen eenheid en verscheidenheid en de manier waarop ervaringen hiervan liefdevol in woord en daad kunnen worden uitgedrukt.

Omdat in de beoefening van zen lichaam en geest in harmonie gebracht worden, heeft het altijd een sterke rituele kant gehad. De meditatiehouding, het maken van buigingen, het offeren van wierook en gezamenlijke soetra-zang worden gezien als een oefening in kinetisch bewustzijn en ook als een fysieke uitdrukking van verworven inzicht. Ceremoniële activiteiten worden bovendien beschouwd als actieve groepsmeditaties; een belangrijke aanvulling op de individuele zitmeditatie. Ritueel is ook in vele andere opzichten een essentiële tegenpool van zazen. Terwijl we bijvoorbeeld in zazen in een bevoorrechte positie zijn om de dharma te ontvangen, krijgen we tijdens ceremonies de gelegenheid om onze dankbaarheid daarvoor tot uitdrukking te brengen.

Naast ritueel is ook studie een belangrijker element van training dan vaak gedacht wordt. Dat komt o.a. omdat de meeste Boeddhistische geschriften eigenlijk handleidingen zijn. De teksten kunnen vergeleken worden met de bladmuziek van een musicus: het gaat niet alleen maar om de noten, maar de noten zijn wel belangrijk om muziek te maken. In die zin moet ook de hierboven aangehaalde uitspraak van Bodhidharma begrepen worden. Geschriften zijn wel degelijk nodig – Bodhidharma bracht zelf de Lankavatara-soetra vanuit India mee naar China – maar de bestudering daarvan alleen is niet genoeg; het is de bedoeling dat de inhoud van de geschriften in praktijk gebracht wordt.

De bodhisattva-geloften zijn een grote inspiratie voor een meer bewust en liefdevol leven. En zij krijgen hun betekenis vooral wanneer ze beoefend worden in combinatie met de andere trainingselementen. Langzaam maar zeker krijgen we meer gevoel voor situaties en wat onze rol daarin zou kunnen zijn. Doordat we beter onze mogelijkheden en ook onze beperkingen gaan inzien, kunnen we een levensvisie ontwikkelen waarin we niet alleen anderen gelukkig maken maar ook onszelf. De bodhisattva-geloften kunnen op allerlei manieren uitgedrukt worden, maar in de moderne zenwereld leiden ze vaak tot een engagement met sociale projecten.

Ondertussen mag niet vergeten worden dat westerse zen heel jong is en eigenlijk nog in een pioniersfase verkeert. In Nederland zijn er veel groepen die verschillende tradities vertegenwoordigen. Sommige daarvan willen de zenmeditatie graag losweken van de oorspronkelijke Boeddhistische context; anderen doen dat juist niet. En het is nog te vroeg om te spreken van een algemeen aanvaarde vorm. Er zijn wat dat betreft ook nog maar weinig kloosters of tempels waar men zich voor langere tijd aan zen kan wijden. Verder is het interessant dat er de afgelopen jaren door sommige groeperingen weer meer aansluiting gezocht wordt met de Aziatische traditie, met name die van Japan en China. Kortom, de toekomst van zen in Nederland ligt nog wijd open.

Zie hier een volledig artikel over Zen

Vajrayana (Tibetaans) boeddhisme

Alle levende wezens zijn in essentie boeddha’s,
Ze zijn alleen tijdelijk verduisterd.
zijn de verduisteringen eenmaal verwijderd,
Dan toont zich hun boeddhaschap.

Wortels van het vajrayana

Veel mensen denken dat vajrayana-boeddhisme, het ‘diamanten voertuig’, een Tibetaanse inventie is, maar dit is niet zo. De wortels van het vajrayana boeddhisme liggen in India. Niet alleen dat, in essentie is vajrayana een onderdeel van het mahayana. Voor het beoefenen van het vajrayana is een stevige basis in het mahayana dan ook noodzakelijk. Naast de mahayana-soetra’s is het vajrayana ook gebaseerd op de traditie van een groep teksten genaamd Tantra’s, daarom wordt het ook wel Tantrayana genoemd. Tantra betekent ‘web’, ‘continuïteit’, en verwijst zowel naar het wederzijds afhankelijk ontstaan van verschijnselen als naar de continuïteit van bewustzijn of de Boeddhanatuur, het potentieel van ieder mens om verlicht te raken. Daarom wordt soms wel gesproken over soetra-mahayana en tantra-mahayana.

Het steile pad van vaardige middelen

Terwijl het basisvoertuig van het hinayana een pad is dat vele levens duurt voor het naar nirvana leidt, en van het mahayana wordt gezegd dat slechts enkele levens voldoende zijn om volkomen realisatie van leegte te verwerven, wordt van het vajrayana gezegd dat het verlichting in één enkel leven kan brengen. Dit komt door de grote hoeveelheid vaardige middelen zoals mantras en mandalavisualisaties die de beoefenaar ter beschikking staan om gedachten en emoties te transformeren.

De tantra’s worden soms beschouwd als een vierde pitaka (verzameling), naast de vinaya, soetra en abhidharma. Het is een groep teksten van mysterieuze oorsprong die zonder inwijding in de beoefening en uitleg van een meester eigenlijk niet te begrijpen zijn. Daarom is de rol van inwijding en begeleiding door een leraar cruciaal in vajrayana. Deze praktijken vonden hun weg naar grote Indiase kloosters als Nalanda en zo ontstond een esoterische vorm van boeddhisme. Deze vorm van boeddhisme heeft zich naar noord en oost-azië (o.a. Shingon in Japan) verspreid, maar is toch vooral in Tibet tot grote bloei gekomen. Dit onderricht komen we ook nu nog in Nederland tegen.

Tibetaanse boeddhistische scholen

In Tibet deed het boeddhisme voor het eerst zijn intrede gedurende de regering van koning Songtsen Gampo (609-649). Hij had een Nepalese en een Chinese vrouw die allebei een beeld van de Boeddha hadden meegenomen. Serieuzer werd het gedurende de periode van koning Trisong Detsen (742-792). Toen zich problemen voordeden met het bouwen van Samye, het eerste Tibetaanse klooster, adviseerde de aanwezige Indiase khenpo Shantarakshita de koning om de hulp in te schakelen van een Indiase mahasiddha genaamd Padmasambhava. Padmasambhava onderwierp de demonen van de oorspronkelijke Bönreligie van Tibet en maakte ze tot beschermers van de dharma. Dit leidde de eerste bloeiperiode van het boeddhisme in Tibet in. Het Tibetaanse schrift werd ontwikkeld speciaal om boeddhistische teksten uit het Sanskriet te kunnen vertalen.

Trisong Detsen organiseerde een groot debat tussen vertegenwoordigers van de Indiase traditie en de Chinese Ch’anschool. Hoewel bronnen verschillen over wie er gewonnen zou hebben, blijkt uit de geschiedenis dat de Tibetanen met de Indiase versie van het boeddhisme zijn verder gegaan. Na de komst van Padmasambhava en de Nyingma (‘de ouden’) was er weer een periode van verval van de dharma in Tibet.

Pas in de elfde eeuw ontstonden met de komst van Atisha (982-1054) de nieuwe vertaalscholen. Atisha stichtte de Kadampa’s, beroemd om het onderricht in het trainen van de geest in compassie (lojong). De Kagyü-school van de bekende yogi Milarepa gaat via Marpa terug naar Naropa en de mahasiddha Tilopa in India. Heel bijzonder is dat de Karmapa, de leider van een speciale tak, de Karma-Kagyü, de eerste was die aanwijzingen gaf waar hij opnieuw geboren zou worden. Zo ontstond de lijn der Karmapa’s. Het systeem van veelal abten van kloosters die worden herboren, en die tulku worden genoemd, is door de andere scholen overgenomen. In het Westen zijn de Dalai Lama’s de bekendste incarnatielijn, maar van oorsprong komt dit principe van de Karmapa, die nog steeds aan het einde van ieder leven een brief met precieze details over zijn volgende geboorte achterlaat.

Opmerkelijk bij de Sakya-school is dat de overdrachtslijn in tegenstelling tot de andere Tibetaanse scholen via een bloedlijn loopt. De Sakya-school kreeg grote politieke macht door een bondgenootschap met de Mongolen, gedurende de Yuandynastie (1271-1368). Dit is van grote invloed geweest op de Tibetaanse geschiedenis.

In de vijftiende eeuw stichtte de hervormer Tsong Khapa (1357-1419) de Gelugpa (‘deugdzamen’), die voortkomt uit de Kadampaschool. Zijn leerling zou later de eerste Dalai Lama worden. De titel Dalai Lama (Mongools voor ‘Oceaan van Wijsheid’) werd pas aan de derde Dalai Lama gegeven en de leerling van Tsong Khapa kreeg hem dus met terugwerkende kracht. Opnieuw ontstond een krachtige samenwerking tussen de Mongoolse krijgers en Tibetaanse lama’s, ditmaal van de Gelugpa-school. Enorme kloosters werden gesticht in Ganden, Drepung, en Shigatse met tienduizenden monniken. Dit waren kleine kloosterstadjes en centra van cultuur, studie, debat, kunst en beoefening. In de Gelugpaschool is de studie van de oude Indiase geschriften en Tibetaanse commentaren erg belangrijk. Het vereist wel eenentwintig jaar intensieve studie om de graad van geshe te behalen.

Verspreiding naar het westen

Met de komst van de Chinezen na 1950 hebben een miljoen Tibetanen het leven gelaten en zijn slechts enkele van de drieënzestighonderd kloosters vernietiging gespaard gebleven. Onder leiding van de huidige veertiende Dalai Lama (1935) wordt in ballingschap geprobeerd de Tibetaanse dharmacultuur in stand te houden. Veel kloosters in India zijn dependances van de oorspronkelijke kloosters in Tibet. Ook in Tibet zelf ontstaat onder het wantrouwend oog van de Chinese autoriteiten de laatste jaren schoorvoetend weer iets meer ruimte om dharma te beoefenen. Door de Tibetaanse diaspora hebben zich lama’s van de verschillende scholen in het westen gevestigd en ook in Nederland zijn de verschillende tradities in diverse centra vertegenwoordigd.

Zie hier een uitgebreid artikel over het Tibetaans boeddhisme

Westers boeddhisme

Tot voor kort werden drie hoofdstromingen in het boeddhisme onderscheiden, die allen hun oorsprong hebben in het Oosten. De laatste 50 jaar begint zich een nieuwe hoofdstroming te ontwikkelen die als ‘westers boeddhisme’ wordt aangeduid. Maar wat is westers boeddhisme eigenlijk? Bestaat het wel? Wat wordt er precies met deze term ‘westers boeddhisme’ bedoeld? Daarover probeer ik in dit korte stukje duidelijkheid te geven.

In de 19e eeuw kreeg het boeddhisme bekendheid in het Westen via westerlingen met een oosterse belangstelling. In eerste instantie werd vooral het Theravada-boeddhisme, de traditie van de ouderen, bekend. In de jaren zestig van de vorige eeuw raakte men ook met andere boeddhistische tradities vertrouwd. Er kwamen leraren naar het Westen en ook gingen er westerlingen richting Azië om zich te verdiepen in de boeddhistische leer zoals daar onderricht en beoefend. Zo ontstond er een groep mensen die het boeddhisme beoefenden binnen de (oosterse) traditie overgedragen door hun leraren terwijl ze zelf leefden in de westerse cultuur.

Het boeddhisme ontwikkelde zich op verschillende plaatsen in de wereld, los van elkaar en binnen de cultuur die op die plaatsen heerste. Een grote diversiteit aan scholen was het gevolg en er ontstonden verschillende stromingen met ieder hun eigen karakter. In de huidige ‘westerse’ wereld, dat is de huidige post-industriële moderne cultuur die in Europa, de Verenigde Staten en nu ook elders in de wereld gangbaar is, hebben we toegang tot al deze stromingen.

Het is van belang om uit deze stromingen, die vaak in een cultureel jasje gestoken zijn van het land van herkomst, te onderscheiden wat de kern is van de Leer van de Boeddha en die toegankelijk te maken voor de wereld van nu. Een aantal leraren van de eerste generatie die de Dharma leerden in het Oosten hebben aan hun leerlingen de Dharma doorgegeven vanuit een oosterse boeddhistische traditie, met aanpassingen gericht op de westerse cultuur.

De verschillen tussen Theravada en Mahayana

Het belangrijkste verschil tussen de Theravada (Hinayana) en de Mahayana tradities is de motivatie, of het einddoel dat men zich stelt voor het spirituele pad. In de Theravada traditie probeert men vooral om zelf de bevrijding (Nirvana) te bereiken van het cyclische bestaan dat altijd met problemen en lijden gepaard gaat (samsara). Iemand die dit bereikt heeft wordt een Arhat genoemd. Ofschoon in de Theravada-beoefening liefde en mededogen essentiële factoren zijn, worden ze in de Mahayana traditie zelfs nog meer benadrukt. In het Mahayana ligt het einddoel van de beoefening hoger, want dit is gericht om alle voelende wezens te verlossen van het cyclische bestaan. Om dit te kunnen doen, dient men ook zelf eerst de allerhoogste staat van boeddhaschap te bereiken, want alleen een Boeddha is alwetend, en kan dus op optimale wijze anderen helpen. Deze laatste motivatie wordt bodhicitta genoemd. Iemand die gevorderd is in dit streven naar het boeddhaschap wordt een Bodhisattva genoemd, en kan gezien worden als een soort heilige binnen het boeddhisme die een altruïstische levenshouding heeft.

De Theravada traditite baseert zich vooral op geschriften die oorspronkelijk in het Pali zijn neergeschreven, en de Mahayana geschriften zijn oorspronkelijk vooral in het Sanskriet geschreven. Het Theravada onderricht vormt in feite de basis voor het Mahayana onderricht, zodat het Mahayana gezien kan worden als een uitbreiding van de leer. Volgens de Mahayana zelf, is deze leer al door de historische Boeddha onderwezen, maar is veel later neergeschreven en toegankelijk gemaakt voor het grotere publiek. Volgens de Mahayana scholen dienen enkele leringen van de Boeddha zoals bewaard in de Theravada traditie geinterpreteerd te worden, en niet letterlijk opgevat te worden, waardoor er hier en daar aanzienlijke verschillen ontstaan in filosofie en beoefening.

Het Theravada baseert zich op het publieke onderricht van de historische Boeddha.

Als gevolg van het optreden van keizer Ashoka, die in de 3e eeuw voor Chr. leefde en die het Indische subcontinent tot eenheid bracht, verspreidde het Theravada-boeddhisme zich zowel naar het zuiden in de richting van Sri Lanka (en van daaruit naar Zuidoost Azië), als naar het noordwesten in de richting van het huidige Afghanistan en de hellenistische wereld (het gebied dat door Alexander de Grote was veroverd) en het noordoosten, naar China (via de Zijderoute). Later, in de 12de eeuw, raakte het boeddhisme in India in verval. Het werd door de islam verdrongen, zoals dat al eerder gebeurd was in de hellenistische gebieden westelijk van India. Het Theravada bleef levend in Sri Lanka, Birma, Thailand, Cambodja, delen van Vietnam en Indonesië.

Het Theravada maakt een groot onderscheid tussen de sangha (monniken en nonnen) en lekenvolgelingen. De opvatting overheerst, dat je monnik moet worden om de verlichting te kunnen bereiken. De leken hebben de taak de sangha te faciliteren en daarmee verdiensten op te bouwen, waardoor zij later zelf monnik kunnen worden en de verlichting kunnen bereiken.

In veel Zuidoost-Aziatische landen is het traditie dat een jongen rond zijn 18de jaar intreedt in de Sangha. De meesten treden na een maand of drie weer uit. Maar gedurende het leven treden zij weer enkele malen tijdelijk tot de Sangha toe. De leden van de Sangha dienen volgens de kloosterregel te leven. De lekenvolgelingen houden zich aan lekengeloften, die minder ver gaan dan die van de monniken en nonnen.

meditatie

Shamatha is de meditatie waarin eenpuntige aandacht beoefend wordt, waardoor de geest tot rust komt, zijn natuurlijke helderheid hervindt en gelijkmoedigheid ontstaat. Vipassana is een inzichtmeditatie. De student leert gedachten, gevoelens en lichamelijke en zintuigelijke signalen waar te nemen zonder deze te onderdrukken en zonder zich er door te laten meeslepen. Alles wat zich in en om de mediterende afspeelt vormt zo een object voor waarneming, en als het zijn kracht verloren heeft kan de waarneming zich weer richten op de ademhaling. Hierdoor ervaart de student ook de veranderlijkheid van al het bestaande, inclusief de eigen gemoedstoestanden. Door waar te nemen zonder je met het waargenomene te verbinden wordt de identificatie doorbroken. Door de beoefening wordt niet alleen inzicht verworven in het aspect van veranderlijkheid, maar ook in dat van dukkha (lijden) en anatta (niet-zelf). Tenslotte wordt hierdoor inzicht of verlichting gerealiseerd.

Tibetaans boeddhisme

De filosofische leringen van het Vadjrayana (Tibetaans boeddhisme) verschillen weinig van de algemene Mahayana leerstellingen, maar het belangrijkste onderscheid is in de methode van beoefening (zie ook de pagina over tantra). Na het verschijnen van het Vadjrayana enkele eeuwen na Chr., werden in India deze drie verschillende stromingen vaak naast elkaar beoefend, afhankelijk van de voorkeur van de persoon. Zo waren er in de beroemde kloosteruniversiteit van Nalanda in noord India monniken naast elkaar aanwezig die deze drie tradities volgden.

Vajrayana (spreek uit: vadjrayana), dat ook wel Tantrayana of Mantrayana wordt genoemd, is een afdeling van het Mahayana boeddhisme of het 'Grote Voertuig'. Het is gebaseerd op zowel de Theravada- als op algemene Mahayana-beoefeningen.

Voordat we het Vajrayana binnengaan, is het nodig dat we goed geoefend zijn in het streven om van de cyclus van wedergeboorte bevrijd te worden (drang naar bevrijding), ons hart moet toegewijd zijn aan het bereiken van de verlichting voor het welzijn van alle voelende wezens (Bodhicitta) en we moeten enig inzicht hebben in de wijsheid die de leegte van inherent bestaan realiseert. Vervolgens kunnen we van een gekwalificeerde tantrische meester een initiatie (inwijding/toestemming) ontvangen, en dienen we ons aan eventuele geloften en verplichtingen die wij bij de initiatie ontvangen te houden. Op basis hiervan kunnen we instructies voor beoefening ontvangen en ons wijden aan de Vajrayana-meditaties.

Eén van de belangrijkste Vajrayana-technieken bestaat uit onszelf te visualiseren als boeddha en onze omgeving als de mandala, of de zuivere omgeving van deze boeddha. Door deze visualisaties, transformeren we ons negatieve zelfbeeld in dat van de boeddhavorm, en kunnen zo de edele eigenschappen van een boeddha in onze eigen geestesstroom cultiveren. Boeddhistische tantra bezit ook technieken om onszelf tijdens het doodsproces, de tussenfase (bardo in het Tibetaans) en de wedergeboorte te transformeren in een boeddha. Er zijn ook speciale meditatietechnieken om zowel één-puntige concentratie (Shamatha in het Sanskriet) te ontwikkelen als een buitengewoon subtiele geest te manifesteren. Deze subtiele staat van geest kan, wanneer je de leegte realiseert, zeer krachtig en snel de onzuiverheden zuiveren. Hierom kan het Vadjrayana een gestudeerde en goed getrainde beoefenaar, die werkt onder leiding van een volledig gekwalificeerde tantrameester, de verlichting brengen in het huidige leven.

Boeddhistische tantra is niet hetzelfde als hindoeïstische tantra, al lijkt het er van buiten wellicht wel op. Evenmin is het een soort magie. Er zijn over het Vajrayana een aantal boeken geschreven die onjuiste informatie of volledig misleidende interpretaties bevatten. Als we hier dus echt iets over te weten willen komen, is het van belang om of boeken te lezen die door een kundig leraar zijn geschreven of, nog veel beter, onderricht van een gekwalificeerde meester te zoeken.

Vooral over het sexuele aspect van boeddhistische tantra zijn er bijzonder veel misverstanden; het gaat hier echter in het geheel niet om orgiën te vieren en orgasmes te bereiken; integendeel, als men boeddhistische tantra beoefent dan is juist volledige controle van de sexuele energie belangrijk om deze energie te transformeren in wijsheid en mededogen.

Bronnen

  • Onderricht door de jaren heen van Urgyen Sangharakshita ontvangen
  • Boeddha in de Polder - Yashobodhi - Uitgeverij Ten Have, augustus 2006
  • Boeddha Nu - Dhammaketu - Asoka/Milinda Uitgevers B.V. - januari 2012
  • Auteurs: Gunabhadri, Tenkei Coppens, december 2015oktober 2015