Banner-wiki.png
Banner-wiki-2.png

Tibetaans boeddhisme

Uit Dharma-Lotus
Ga naar: navigatie, zoeken

Gautama de Boeddha (563-483 v.Chr.) leefde in het, en zijn leer verspreidde zich van daaruit naar andere landen zoals, Thailand, Burma, het huidige Pakistan en Afghanistan etc. Rond het begin van de jaartelling ging het ook naar China, en van daaruit weer naar bijv. Japan en Korea, maar niet onmiddellijk naar Tibet, Daar kwam het pas 500 n.Chr. terecht.

Vanaf het begin van zijn onderricht heeft de Boeddha grote nadruk gelegd op het feit dat je hem niet moest geloven, dat zijn leer geen dogma of religie was, en dat je het leven in al zijn facetten zelf moest onderzoeken. Alleen als je je eigen psyche onderzoekt, wordt dat wat je ontdekt je eigen inzicht. Daarom was een van zijn uitspraken 'Wees je eigen eiland', dat wil zeggen, vertrouw op jezelf en niet op de leer of op de leraar. Bovendien vertelde hij aan het eind van zijn leven, dat hij alle inzichten die hij zelf verworven had in zijn compleetheid had doorgegeven: 'Er is niets verborgen gebleven in de gesloten vuist van de leraar'. En al die kennis over de werking van de psyche en de mogelijke bevrijding van frustraties en lijden is in de loop van vijfentwintighonderd jaar verder uitgewerkt en vervolmaakt.

Theravada/Hinayana boeddhisme

In de eerste jaren van zijn onderricht onderwees Gautama de Boeddha het geheel van inzichten dat later de Hinayana werd genoemd, het kleine voertuig (naar de bevrijding). De Boeddhisten binnen deze stroming spreken liever van Theravada, de school van de Oudsten en vinden Hinayana neerbuigend (vandaar dat ik in dit artikel ook verder spreek over Theravada). De Theravada onderzoekt hoe gedachten en emoties ontstaan, en hoe daaruit de belemmerende patronen ontstaan die alleen maar frustraties en lijden kunnen veroorzaken. Het ontleedt de manier waarop het bewustzijn werkt, en hoe het uit vormen, gevoelens, waarnemingen, emoties, associaties en denkbeelden een ik construeert dat zichzelf vervolgens krampachtig in stand wil houden. De weg naar bevrijding bestaat uit meditatieoefeningen die erop gericht zijn om de verkrampingen van je geest te leren ontspannen – waardoor je minder door emoties wordt meegesleurd – en op het ontwikkelen van oplettendheid, zodat je niet nog meer problemen voor jezelf creëert. In dat opzicht is de Theravada heel concreet en praktisch, en mondt uit in het inzicht dat het ego – dat nergens concreet te vinden is – de oorsprong is van al onze problemen. Psychologisch richt het zich op het vlijmscherp onderzoeken en beheersen van alle belemmerende patronen in je lichaam, je emoties en je denken.

Mahayana boeddhisme

De tweede stroming wordt de mahayana genoemd, het grote voertuig. Het grote voertuig bouwt voort op de inzichten, oefeningen en verworvenheden van de Theravada, maar voegt daar twee aspecten aan toe. Het beschouwt de Theravada als te beperkt omdat het nog te veel op jezelf is gericht, en ziet als doel de bevrijding van alle andere levende wezens. Daarvoor is het belangrijk om door meditatieoefeningen de emotionele reacties van begeerte, woede, trots en jaloersheid te vervangen door de onmetelijke gevoelens van gelijkmoedigheid, liefde, mededogen en vreugde. Tegelijkertijd breidt de mahayana het begrip van ego-loosheid uit tot het veel ruimere aspect van leegte. Niet alleen is het ik nergens te vinden, eigenlijk geldt dat voor alles. Alles verschijnt vanuit leegte en lost vanzelf weer op in leegte. En in de tussentijd is elke ervaring ongrijpbaar en veranderlijk. Psychologisch richt het zich meer op het ontwikkelen van positieve gevoelens en positieve handelingen in relatie met anderen, naast het ontwikkelen van het inzicht in leegte als een volstrekt open bewustzijn.

Vajrayana/Tibetaans boeddhisme

De derde stroming wordt vajrayana genoemd, het diamanten voertuig. Het diamanten voertuig gaat ervan uit dat je beide vorige paden doorlopen hebt en richt zich volledig op de persoonlijke, individuele verwezenlijking van de bevrijding. Het bouwt voort op het inzicht dat alles verschijnt in leegte en herkent dat alles wat verschijnt energie is, altijd op elkaar inwerkt en voortdurend verandert. Vanuit dit holistische perspectief richt het zich op het direct gebruikmaken van de energie van lichaam, adem, emoties, gedachten en bewustzijn om de ultieme bevrijding te verwezenlijken door middel van yoga- en meditatieoefeningen. Psychologisch richt het zich op het ervaren van energiecentra en energiestromen, het direct werken met de emotionele energie, het ontwikkelen van bepaalde krachten, het meester worden over je denken, en het ontwikkelen van een multidimensionaal bewustzijn. In de loop van enkele eeuwen kristalliseerde de vajrayana zich uit in zes stromingen en ontstonden er talloze rituelen, oefeningen en teksten die tantra's worden genoemd.

Dzogchen

De zesde en meest vergaande stroming van de vajrayana is Dzogchen. Dzogchen gaat terug naar de kern, de ongekunstelde bevrijding in het moment zelf, zonder allerlei ingewikkelde oefeningen.

De inzichten zijn weliswaar gebaseerd op het boeddhisme, maar zijn zo universeel dat zij direct toepasbaar zijn op ons eigen leven in onze chaotische westerse maatschappij. Dzogchen richt zich rechtstreeks op het vlijmscherp onderzoeken van je bewustzijn en de naakte confrontatie met alle obstakels, blokkades en emoties. Deze allesdoorsnijdende benadering plaatst je oog in oog met dat wat simpelweg aanwezig is, en verwezenlijkt de volmaakte helderheid of de ultieme bevrijding in het moment zelf, zonder ingewikkelde theorieën, uitgebreide rituelen of jarenlange retraites. Zowel de vajrayana als Dzogchen zijn uitsluitend in Tibet compleet bewaard gebleven.

Zie hier een volledig artikel over Dzogchen

Het ontstaan van het Tibetaans Boeddhisme

De vajrayana, de meest esoterische traditie van het boeddhisme, kwam pas in de vierde eeuw in Noord-India tot bloei en verspreidde zich behalve in Noord-India, voornamelijk naar de noordelijke bergstreken van het huidige Pakistan. Volgens de overlevering gaat de vajrayana, ook wel tantrayana of mantrayana genoemd, terug op de mondelinge overdracht van de inzichten die de Boeddha in zijn tijd nog niet durfde te verspreiden. Het bouwt voort op de kennis van de hinayana en mahayana, maar geeft daaraan een meer innerlijke betekenis, direct gericht op de eigen verwezenlijking. Vooral de Hart soetra met zijn beroemde uitspraak 'vorm is leegte, leegte is vorm', was een bron van inspiratie voor allerlei vajrayana teksten.

Vajra (T. dorjé) betekent zowel diamant als bliksemflits. De vajra was oorspronkelijk het wapen van Indra, de god van donder en bliksem uit de veel oudere Vedische religie. In het boeddhisme wordt het een symbool voor de zuiverheid, doorschijnendheid en onverwoestbaarheid van het ontwaakte bewustzijn. Hoewel de diamant zelf geen kleur heeft, wordt een lichtstraal die er doorheen valt, gebroken in alle kleuren van de regenboog. Daarom is hij ook het symbool voor de leegte waarin alles vanzelf verschijnt. Bovendien is de diamant niet alleen heel kostbaar, de 'koning onder de stenen' (de letterlijke betekenis van het Tibetaanse woord dorjé), maar ook zo scherp dat hij overal doorheen snijdt. Hij staat symbool voor het feit dat de vajrayana zowel de meest kostbare kennis bevat, als een bliksemsnel en vlijmscherp pad is, dat alle verwarringen die de cyclus van frustraties in stand houden in één slag doorsnijdt.

mahasiddha's

Deze tantristische traditie werd in Noord-India ontwikkeld en vormgegeven door de zogenoemde mahasiddha's. Dit waren individuele yogi's en beoefenaren die zich weinig van de geldende regels binnen het monastieke boeddhisme aantrokken. Zij ontstonden als een soort provobeweging tegen de gevestigde kloosterorden en boeddhistische universiteiten, waarin status en macht belangrijker waren dan de verlichting. Deze mahasiddha's – maha is groot en siddhas zijn yogi's die over bijzondere psychische krachten (siddhi's) beschikken – waren geen monniken. Ze hadden vaak een beroep dat door het gevestigde boeddhisme als onrein of afkeurenswaardig werd beschouwd, zoals pijlenmaker, visser of jager. Zij aten vlees en vis, hadden vaak een vrouw uit een lage kaste als partner en gaven zich over aan allerlei mystieke en seksuele meditatieoefeningen. Ze trokken zich niets aan van de boeddhistische moraal van seksuele onthouding en het verbod op het doden van levende wezens, en maakten in de praktijk van het dagelijks leven glashelder dat vorm leegte is. Deze traditie ontwikkelde haar eigen rituelen en meditatieoefeningen, en haar eigen kennistraditie die uitsluitend van leraar op leerling werd overgedragen.

het mannelijke en het vrouwelijke aspect

In de loop der tijd ontwikkelde de vajrayana een eigen symbolische taal, waarin de innerlijke verworvenheden door uiterlijke wonderen worden aangeduid. Dit geeft vaak aanleiding tot misverstanden. Wanneer er verteld wordt dat een bepaalde siddha 'de zon en de maan tot stilstand brengt' of 'de Ganges overstak door de stroom van de rivier op te houden', slaat dat niet op een magische tovertruc, maar op het volledig beheersen van de mannelijke (zon) en vrouwelijke (maan) energiestromen, of op het bundelen van de energie die door het centrale kanaal (Ganges) door het lichaam stroomt. De traditionele teksten verwijzen uitsluitend op een hele verborgen en symbolische manier naar de verwezenlijking van de waanzinnige wijsheid, het één zijn van volmaakt inzicht en ultieme vrijheid.

Bön

Voordat het boeddhisme naar Tibet kwam, bestond er een krachtige religie met talloze priesters die veel macht bezaten, de bön, die zich richtte op het beheersen van de overweldigende natuurkrachten, zoals hagel, donder en bliksem, om de welvaart en rijke oogsten zeker te stellen en negatieve invloeden van boze geesten of bedreigende omstandigheden af te weren. Daarvoor werden sjamanistische rituelen uitgevoerd waarmee het kwaad zowel bezworen als opgeroepen kon worden, bijvoorbeeld om wraak te nemen op iemand die jou onrecht had aangedaan. Daarnaast richtte de bön zich op het beheersen van de innerlijke krachten door adem-, meditatie- en yogaoefeningen die weinig verschilden van de latere vajrayana.

Introductie van het Boeddhisme in Tibet

De eerste introductie van het boeddhisme in Tibet vond plaats in het begin van de zevende eeuw. De toenmalige koning Songtsen Gampo (569-650) probeerde van Tibet een belangrijke politieke en militaire natie te maken. Om goede relaties met de buurlanden aan te knopen, trouwde de koning met verschillende vrouwen, waaronder een Chinese en een Nepalese prinses die beiden boeddhistisch waren. Zij brachten allebei een aantal beelden mee, waarvoor de koning twee grote tempels bouwde, de Ramotché en de beroemde Jokhang tempel in het centrum van Lhasa. Bovendien gaf hij zijn minister Thönmi Sambhota opdracht om een eenduidige schriftvorm en grammatica te ontwikkelen om de boeddhistische teksten uit het Sanskriet in het Tibetaans te vertalen. Na zijn dood raakte het boeddhisme in verval en grepen de bön priesters opnieuw de macht.

Toen de Tibetaanse koning Trisong Detsen (742-797) zich een eeuw later ging interesseren voor het boeddhisme was er dus al een zekere voedingsbodem. Hij pakte het grootser aan dan zijn voorganger en nodigde tientallen belangrijke boeddhistische leraren uit Noord-India uit om naar Tibet te komen. Onder zijn leiding werden talloze boeddhistische teksten in het Tibetaans vertaald, zowel uit de soetra's als de tantra's. Ook begon hij, op zo'n zeventig kilometer van Lhasa, met de bouw van een groot klooster in de vorm van een mandala, een symbolische plattegrond van alle innerlijke en uiterlijke krachten. Aan een dergelijke mandala worden grote krachten toegeschreven en het bouwen van deze tempel stond voor de definitieve vestiging van het boeddhisme in Tibet. Daarom ontstond er ook veel tegenstand, zowel van zijn ministers, die de bön religie aanhingen, als van de plaatselijke bevolking.

Padmasambhava

Padmasambhava

Omdat het niet lukte om het boeddhisme in het ongecultiveerde, ruige, sjamanistische hooggebergte werkelijk wortel te laten schieten, nodigde de koning de belangrijkste en machtigste yogi van die tijd, Padmasambhava, uit om naar Tibet te komen en de negatieve krachten te onderwerpen. Deze tantristische leraar bracht in 774 de vajrayana en dzogchen traditie naar Tibet en legde de grondslag voor de oudste overgebleven boeddhistische stroming, die later de nyingma (de ouden) werd genoemd. In de praktijk vlochten de bön en het tantristisch boeddhisme zich vrij moeiteloos in elkaar, waardoor er allerlei teksten zijn die zowel door de bön als door de boeddhisten worden geclaimd. Sommige boeddhistische nyingma lama's waren zelfs eveneens bön priesters. Het enige verschil was dat zij, als boeddhist, geen bloedoffers mochten verrichten en hun krachten niet mochten aanwenden om anderen kwaad te berokkenen.

De eerste twee eeuwen na de komst van Padmasambhava bestond in Tibet uitsluitend de nyingma traditie die zich baseerde op de eerste stroom van leraren en teksten uit India, en op de tantristische en dzokchen tradities die afkomstig waren uit Oddiyana, het geboorteland van Padmasambhava. Hij droeg zijn kennis van de uiterlijke en innerlijke tantra's over aan zijn vijfentwintig leerlingen, maar dzokchen droeg hij exclusief over aan enkele van zijn meest nabije leerlingen, waaronder zijn vrouwelijke partner Yeshe Tsogyal, en aan de dochter van de koning, Pema Tsal, waarvan hij wist dat zij snel zou sterven. Deze teksten – waarvan het zogenoemde Tibetaans Dodenboek er één is – werden door Yeshe Tsogyal verborgen omdat de tijd nog niet rijp was om ze te onderrichten en omdat Padmasambhava voorzag dat er een periode van oorlog en onderdrukking aan zou komen. Hij voorspelde ook door wie deze teksten – die terma's worden genoemd – eeuwen later gevonden zouden worden, en hij was degene die voorspelde dat: 'Als de zilveren vogels vliegen, er veel strijd in Tibet zal ontstaan, en het boeddhisme naar het westen gebracht zal worden.'

Hoewel er eerst een enorme bloeiperiode ontstond waarin honderden boeddhistische teksten in het Tibetaans werden vertaald en tientallen kloosters werden gesticht, kwam in 832 Langdarma aan de macht die vond dat de kloosters te veel macht kregen, en die het boeddhisme met wortel en tak probeerde uit te roeien. Maar omdat de nyingma traditie bestond uit zowel een rode gemeenschap (S. sangha) van monniken, als een witte gemeenschap van leken en yogi's (T. ngakpa's), bleven deze laatste gespaard, en konden zij grotendeels in het geheim en mondeling de traditie blijven voortzetten en doorgeven. Het was sowieso gebruikelijk om de teksten uit je hoofd te leren, en beroemde leraren konden dan ook talloze tantra's foutloos reciteren, evenals het onderricht dat zij van hun eigen leraar ontvangen hadden. Hoewel Langdarma op jonge leeftijd – door een monnik – werd vermoord, werd het boeddhisme toch nog lange tijd onderdrukt.

strijd tussen Nyingma en Dzogchen

Onder leiding van de vertaler Rinchen Zangpo (957-1055) ontstond zo'n tweehonderdvijftig jaar later een nieuwe golf van vertalingen, en Tibetaanse lama's vertrokken opnieuw naar India om daar onderricht te krijgen van beroemde leraren en mahasiddha's zoals Tilopa en Naropa. Deze nieuwe vertalingen leiden tot nieuwe stromingen die bepaalde teksten van de nyingma traditie – voornamelijk de dzogchen en tantristische teksten – als niet-authentiek beschouwden. Dit waren vaak de teksten die de nadruk legden op individuele bewustwording en bevrijding, en die erg tegengesteld leken aan de morele principes van de Theravada en de mahayana. Bovendien streefden deze nieuwe stromingen – kagyü, sakya en kadam (waaruit later de gelukpa voortkwam) – naar grote rijke kloosters en politieke macht, en werden de dzogchen teksten als 'gevaarlijk' beschouwd omdat zij elk centraal gezag ondermijnden. Hoewel er tussen de verschillende stromingen veel strijd was, maakten ze elkaar niet helemaal af. Uiteindelijk kreeg de gelukpa het voor het zeggen, en installeerden zij de Dalai Lama als hoofd van hun orde en als politiek leider van de staat Tibet, die uit een verzameling losse koninkrijkjes bestond. Sommige Dalai Lama's, zoals de tweede, vijfde en zesde, waren persoonlijk meer geïnteresseerd in de nyingma en hadden altijd een beroemde leraar uit deze traditie. Toch kreeg de nyingma als school geleidelijk een meer 'ondergeschikte' positie, vooral in de omgeving van Lhasa, hoewel sommige oude kloosters, zoals Samye en de Jokhang in Lhasa, altijd plekken van verering bleven. In de meer afgelegen gebieden, ver van het toeziend oog van Lhasa, bleef nyingma echter de belangrijkste traditie en werden de nyingma lama's en yogi's vereerd en gerespecteerd. Veel nyingma leraren die momenteel in Europa of de Verenigde Staten wonen, komen oorspronkelijk uit Kham en Amdo in het oosten van Tibet.

De zes vajrayana tantra's

In de nyingma traditie wordt een onderscheid gemaakt tussen zes verschillende vajrayana stromingen of tantra's.

  • De eerste drie tantra's worden de uiterlijke tantra's genoemd omdat ze de bevrijding naar buiten toe projecteren en er vervolgens volmaakt mee proberen te versmelten.
  • De tweede drie zijn de innerlijke tantra's, waarbij de aanwezigheid van de volmaakte bevrijding in jezelf ervaren wordt, en de oefeningen gericht zijn op het herkennen van deze oorspronkelijke staat van helderheid.
  • De laatste innerlijke tantra wordt ati yoga genoemd, de 'ultieme yoga', ook wel de 'volkomen volmaaktheid', Dzogchen in het Tibetaans.

De belangrijkste scholen

In het Tibetaans boeddhisme zijn 5 belangrijke stromingen of scholen.

Nyingma

De Nyingma school is begonnen met de introductie van het boeddhisme in Tibet door de Indiase pandit Padmasambhava (Guru Rinpoche). De historische informatie van hem is vooral gehukd in mythes (er wordt gezegd dat hij al 3600 jaar in India woonde voordat hij naar Tibet kwam). Hij kwam in het jaar 817 naar Tibet op uitnodiging van koning Trisong Detsen. Vooral in het begin was er veel nadruk op tantrische beoefening en minder op de studie van logica en filosofie. Er zijn door de eeuwen heen aanzienlijke ontwikkelingen geweest binnen de Nyingma school, onder andere door de onderdrukking door koning Langdharma na 842.

Enkele typische aspecten van de Nyingma traditie zijn de beoefening van Dzogchen (de fundamentele aard van de geest direct onderzoeken, zonder visualisaties of afbeeldingen), en de aanwezigheid van verborgen geschriften of 'terma' van Padmasambhava die door latere meesters ontdekt worden.

Kadam

Dit was een belangrijke school in de reformatie die plaatsvond met de komst van Lama Atisha in 1042. Zijn belangrijkste leerling was de leek Dromtönpa die de Kadam traditie startte. Deze traditie bestaat niet meer, maar heeft wel een sterke invloed achtergelaten op de latere Kargyu, Sakya en vooral Gelug school.

Veel Tibetaanse leraren, zoals ook zijne heiligheid de Dalai Lama benadrukken dat het huidige Tibetaans boeddhisme vooral overeenkomt met het elfde-eeuwse boeddhisme zoals het in India voorkwam.

Kargyu

Deze traditie begon met de Tibetanen Marpa Chökyi and Khyungpo Nyaljor in the elfde eeuw. Zij hadden Tilopa (988-1069) zijn leerling Naropa (1016 - 1100) als Indiase leraren. Waarschijnlijk de meest iconische beoefenaar en meester in deze traditie is Milarepa (1040-1123), die boeddhaschap in één leven bereikte door de ongelofelijke volharding in zijn beoefening. Milarepa was een leerling van Marpa. De Kargyu school is zowel een meditaite als een filosofische school.

Enkele typische aspecten van de Kargyu traditie zijn de beoefening van Mahamoedra en de 'zes yoga's van Naropa. Er bestaan momenteel meerdere sub-scholen: zoals de Karma-Kargyu (met de Karmapa als leider), Drikung Kargyu en de Drukpa Kargyu scholen.

Sakya

De Sakya traditie vind zijn oorsprong bij de Indiase meester Virupa die zijn lessen via de vertaler Drogmi doorgaf aan Khon Konchog Gyalpo. Voor die gelegenheid bouwde Khon Konchog Gyalpo het Sakya klooster en startte de Sakya traditie in 1073. In 1247 veroverde de Mongoolse prins Godan Khan Tibet en gaf de tijdelijke leiding over Tibet over aan Lama Kunga Gyaltsen (beter bekend als Sakya Pandita), die één van de eerste belangrijke figuren werd in de Sakya traditie. In 1254 werd Chögyal Phagpa uitgenodigd door de Mongoolse keizer Kublai Khan om les te geven. Kublai Khan maakte het boeddhisme tot een staatsreligie in Mongolië, en hij maakte made Buddhism state religion in Me Chogyal Phagpa de eerste religieuze en wereldlijke leider van Tibet. Sakya meesters heersten voor ruim 100 jaar in Tibet. In 1354 werd de leiding van Tibet overgedragen aan de monnik Changchub Gyaltsen die geen Sakya was.

Enkele typische aspecten van de Sakya school zijn het Lam Dre (leidend naar de staat van Hevadjra) onderricht en het feit dat de overleveringslijn van vader op zoon wordt doorgegeven, en niet gebaseerd op de wedergeboorte van de leider of een belangrijke leraar.

Gelug

De Gelug traditie vind zijn oorsprong onder andere in de Kadam traditie en is opgericht door de Tibetaanse Lama (Je) Tsong Khapa (1357-1419). In 1578 ontving Sonam Gyatso 1543-1588) van de Gelug traditie de titel 'Dalai Lama' van de Mongoolse leider Althan Khan. In 1642 werd de vijfde Dalai Lama tot wereldlijk en geestelijk leider van Tibet benoemd door de Mongoolse leider Gushri Khan. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, is de Dalai Lama niet de leider van de Gelug traditie; dit is de Ganden Tripa (hoofdabt van het Ganden klooster).

Enkele typische aspecten van de Gelug traditie: veel nadruk op ethiek en uitgebreide boeddhistische scholing in de kloosters, het belangrijkste onderricht wordt samengevat in de Lam Rim teksten (geïnspireerd door een tekst van Lama Atisha).

Bronvermelding

  • Met dank aan Robert Hartzema en Marjam Möller