Banner-wiki.png

Tulku

Uit Dharma-Lotus
Ga naar: navigatie, zoeken

Categorie indeling
Home
Boeddhisme
Titulatuur
Boeddhistische titulatuur
GesheTashi @ Bodhgaya.jpg
Boeddhistische titulatuur
Arhat
Bhikkhu
Bodhisattva
Boeddha
Geshe
Khenpo
Lama
Mahathera
Majjhima
Rinpoche
Roshi
Tulku
Navaka
Dhamma wiel

Een tulku (tülku, trulku) is een gereïncarneerde bewaarder van een specifieke lijn van leringen in het Tibetaans boeddhisme die van jongs af aan bekrachtigd en getraind wordt door studenten van zijn of haar voorganger. Het is dus een verlicht persoon die vrij is van karma maar toch besluit te incarneren om zodoende als leraar te dienen voor diegene dier nog niet de verlichting hebben bereikt. Bekende voorbeelden van tulku's zijn de Dalai Lama's, de Panchen Lama's en de de Karmapa's.

Terminologie

De term tulku is de Tibetaanse vertaling van de filosofische term nirmanakaya uit het Sanskriet. Volgens het filosofische systeem van Trikaya ('Drie lichamen van Boeddha') is nirmanakaya de belichaming van de Boeddha-natuur. Deze Boeddha-natuur is een zuivere energie die kan incarneren in een lichaam om zo dienst te doen als voorbeeld en leraar. In deze filosofie is ook Gautama de Boeddha een voorbeeld van nirmanakaya. In de context van het Tibetaans boeddhisme wordt tulku gebruikt om te verwijzen naar het lichamelijke bestaan ​​van verlichte boeddhistische meesters in het algemeen.

Geschiedenis

De instelling van de tulku zoals ontwikkeld in de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw, toen verschillende Tibetaanse scholen van het boeddhisme de mogelijkheid begonnen te accepteren dat voorbeeldige figuren in samsara zouden kunnen blijven als institutionele leraren.

De eerste erkende tulku van deze soort binnen de Vajrayana-tradities was de Karmapa, het hoofd van de Karma Kagyu school van het Tibetaans boeddhisme. De eerste die erkend werd als een her-manifestatie was de 2e Karmapa, Karma Pakshi (1024-1283). De Karmapa is nu in zijn 17e incarnatie. Verreweg de politiek machtigste tulku-afstamming in de afgelopen honderden jaren waren de Dalai Lama's, die in totaal veertien incarnaties hebben gezien, te beginnen met Gedun Drub (1391-1475)).

Tibetoloog Françoise Pommaret schat dat er momenteel ongeveer 500 tulku lijnen zijn gevonden in Tibet, Bhutan, Noord- India, Nepal, Mongolië en de zuidwestelijke provincies van China. De overgrote meerderheid van tulku's zijn mannen, hoewel er een klein aantal vrouwelijke tulku-lijnen is.

Verschil tussen stervelingen en tulku's

Er zijn grote verschillen in het proces hoe normale stervelingen en hoe tulku's wedergeboren worden. Voor de eersten is het een proces waar men geen controle over heeft. Bepaald door het karma wordt men via de staat van bardo's weer in een nieuwe levensvorm op aarde wedergeboren.

De wedergeboorte van een tulku is volstrekt verschillend. Als nirmanakaya zijn tulku's vrij van de beperkingen van karma. Hun wedergeboorte is vrijwillig. Ze hoeven niet wedergeboren te worden, maar ze besluiten dat te doen uit mededogen voor anderen. Daarnaast hebben tulku's volledige controle over hun wedergeboorte. Voor gewone stervelingen moet de wedergeboorte binnen 49 dagen na het overlijden plaatsvinden. Tulku's hebben die beperkingen niet. Voor normale stervelingen bepaalt de karma de omstandigheden van de wedergeboorte, zoals de plaats, de ouders, de verschijningsvorm van de wedergeboorte en de intelligentie daarvan. Voor de tulku is dat een kwestie van keus en wordt verondersteld al van tevoren besloten te zijn, zodat een stervende tulku instructies zou kunnen achterlaten waar zijn nieuwe incarnatie gezocht zou moeten worden.

Gebruik en Misbruik

Hoewel een tulku een verlicht persoon is die strikt uit mededogen opnieuw incarneert had een tulku-lijn ook grote maatschappelijke voordelen. De meeste Tibetaanse kloosters waren school, dokterspost, bibliotheek, kenniscentrum, gemeentehuis en pachter tegelijk. Het maatschappelijke en spirituele belang waren dus helemaal vermengd. Het hoofd van een klooster had dan ook grote macht en een klooster wilde deze niet afstaan. Door een tulku-lijn te installeren had een klooster een grote invloed op het voortbestaan, omdat zij een jongen uitkozen als zijnde de nieuwe incarnatie en deze vanaf zijn 3e konden opvoeden, opleiden tot hij op 18e jarige leeftijd de officiële positie kreeg. Tot die tijd regeerde er een regent.

Families van adel konden zodoende, tegen grote donaties, de volgende tulku "kopen". Conflicten met adel over andere heersers werden opgelost zodra er toevallig in hun familie een belangrijke tulku werd geboren. Ook hadden de tulku's zelf baak weinig vrijheid en stonden ze helemaal tot dienst om het klooster rijker en belangrijker te maken.

Dudjom Dorje schrijft eind 19e eeuw:

Ik was vooral een middel om de welstand van de rijkeren af te romen; ik had geen zinvolle taken zoals de beoefening van deugden, meditatie of mantra-recitatie. Er werd mij vooral opgedragen de offerandes van de overleden en levende rijken binnen te brengen: het beste van de oogst. Hoewel op die manier enige rijkdom (voor het klooster) werd binnengehaald, waarvan overigens niets ter nutte gemaakt werd in de richting van het geloof, had ik geen enkele macht om ook maar iets meer te doen dan het geschonken voedsel en kledij te laten verkwisten en de schulden van schuldenaren te innen. Mijn leermeesters scholden mij voortdurend uit. Hoewel ze mij tulku noemden, was ik in feite hun bediende.