|
Dharma-Lotus is een boeddhistische organisatie met 6 vestigingen in Nederland en een | retraitecentrum (Ekãyano) in Noord-Frankrijk |
|
Kwade wil
Het Boeddhistisch woordenboek
In het boeddhisme worden veel termen uit het Pali of Sanskriet gebruikt. Sommige zijn onbekend en vertalen naar het Nederlands is vaak moeilijk, omdat bestaande woorden al een andere betekenis hebben. Op deze wiki vind je een woordenboek met de meest voorkomende boeddhistische termen (in Pali, Sanskriet of Nederlandse vertaling), inclusief uitleg. Vaak bevat een term ook een link naar een uitgebreider artikel.
Kwade wil
In het boeddhisme wordt Kwade wil (Pali: Byāpāda) gezien als een van de belangrijkste onheilzame geestestoestanden. Het is de geest die gericht is op kwaad doen, schade toebrengen, vernietigen of wegwensen van anderen (of van zichzelf). Het is onderdeel van de 5 hindernissen van meditatie. Deze 5 hindernissen kunnen sterke krachten tijdens de meditatie zijn en treden bij iedereen op, zowel tijdens het meditatieproces als in het dagelijks leven.
- verlangen (kama; abhidya)
- kwaadaardigheid (pradosha)
- luiheid (styana) en stijfheid (middha)
- rusteloosheid (anuddhatya) en wroeging (kaukritya)
- twijfel (vichikitsa)
Karakter van Kwade wil
Kwade wil is de geest die boosheid, haat, wrok, vijandigheid of aversie voelt tegenover levende wezens, wenst dat anderen lijden, ziek worden, doodgaan, ongeluk hebben, zich ergert aan het geluk of succes van anderen, pijn, ongemak of schade wil toebrengen (fysiek of mentaal).
Het kan variëren van milde irritatie en ergernis tot moorddadige haat, maar zelfs de subtielste vorm (“ik mag die persoon niet”, “ik wou dat hij faalde”) is al Kwade wil. Kwade wil is de directe tegenpool van metta (liefdevolle vriendelijkheid) en van karuṇā (mededogen).
Hoe kan je Kwade wil onderdrukken
Het Boeddhisme geeft 5 specifieke methoden om elk van de 5 belemmeringen te overwinnen. Voor Kwade wil is de allersterkste en meest directe tegenmiddel; de beoefening van mettā (liefdevolle vriendelijkheid), en als gevolg daarvan het ontstaan van pīti (verrukking, blijdschap, geestelijke opgetogenheid).
Je begint met het systematisch cultiveren van mettā naar jezelf, een geliefd persoon, een neutraal persoon, een moeilijk persoon en uiteindelijk alle wezens. Wanneer mettā goed ontwikkeld is, verdwijnt automatisch de ruimte voor haat en wrok. Door de hartverwarmende kwaliteit van mettā ontstaat er pīti, een fysiek en mentaal gevoel van vreugde, tintelingen, lichte extase, kippenvel, golf van blijdschap. Deze pīti is zo sterk en aangenaam dat de ruwe, brandende energie van Kwade wil volledig wordt overspoeld en tijdelijk onderdrukt (en bij diepe beoefening definitief uitgeroeid).