Dharma-Lotus is een boeddhistische organisatie met 6 vestigingen in Nederland en een | retraitecentrum (Ekãyano) in Noord-Frankrijk | Icy Email logo 2020.jpg | WA-logo.png | Abonneer op onze Nieuwsbrief

Maha Moggallana

Uit dharma-lotus.nl
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gautama de Boeddha, Sãriputta en Maha Mogallana
Categorie indeling
Home - Boeddhisme -

Personen uit de Pali-canon

Personen uit de pali canon
Buddha in Zazen.jpg
Personen uit de pali canon
Gautama de Boeddha
Mannelijke leerlingen
Alara Kalama
Ananda
Angulimala
Anuruddha
Assaji
Bimbisara
Devadatta
Kondanna
Maha Moggallana
Maha Kassapa
Pasenadi
Purna
Rahula
Sariputta
Subhuti
Suddhodana Gautama
Upali
Uddaka Ramaputta
Vrouwelijke leerlinges
Ambapali
Jivaka
Khema
Mahamaya
Pajapati Gotami
Uppalavanna
Visakha
Yasodhara
Dhamma wiel

Mahā Moggallāna (Pali: Mahāmoggallāna; Sanskriet: Mahāmaudgalyāyana, 568-484 v.Chr.) was na Sariputta de voornaamste leerling van Gautama de Boeddha. Zijn geboortenaam was Kolita en zijn moeders naam was Moggallani (of Moggali). Toen hij monnik werd kreeg hij eveneens de naam Moggallana. Hij werd geboren in het dorpje Kolitagama vlakbij de stad Rajagaha (Rajgir, India) en was een jeugdvriend van Sariputta.

Mahā Moggallāna was een van de twee voornaamste discipelen van Gautama de Boeddha, naast Sāriputta, en wordt in de boeddhistische traditie geprezen als de “voornaamste in bovennatuurlijke krachten” (iddhi) volgens de Aṅguttara Nikāya. Zijn uitzonderlijke spirituele vermogens, diepe toewijding aan de Dhamma, en nauwe vriendschap met Sāriputta maakten hem een centrale figuur in de vroege boeddhistische sangha. Zijn leven wordt beschreven in de Pali-Canon (zoals de Vinaya Pitaka, Majjhima Nikāya, Saṃyutta Nikāya, en Theragāthā), de Mahāvastu, de Lalitavistara Sūtra, en latere commentariële werken zoals de Dhammapada Atthakatha. Hoewel sommige verhalen over zijn bovennatuurlijke krachten legendarisch zijn, bieden deze bronnen een gedetailleerd beeld van zijn leven, spirituele reis, en nalatenschap. Hieronder volgt een uitgebreide biografie van Mahā Moggallāna, met aandacht voor zijn afkomst, bekering, rol in de sangha, en betekenis in de boeddhistische traditie, inclusief geschatte levensdata en plaatsen zoals gevraagd in je eerdere verzoeken.

Afkomst en vroege leven

Mahā Moggallāna werd geboren als Kolita in een brahmaanse familie in de 6e eeuw v.Chr., waarschijnlijk rond dezelfde tijd als Siddhārtha Gautama (ca. 563 v.Chr. in de traditionele chronologie of ca. 480 v.Chr. in de kortere chronologie). Hij groeide op in het dorp Kolita of een nabijgelegen gebied nabij Nālaka (mogelijk Nālandā, bij Rajgir, Bihar, India), in het koninkrijk Magadha. Zijn familie was welgesteld en behoorde tot de brahmaanse kaste, wat hem toegang gaf tot een gedegen opleiding in de Veda’s en andere religieuze tradities. Zijn naam, Moggallāna, is afgeleid van de clan of familienaam, terwijl “Mahā” (groot) later werd toegevoegd om zijn spirituele statuur te benadrukken.

Van jongs af aan was Kolita bevriend met Upatissa, die later Sāriputta zou worden. De twee deelden een diepe spirituele nieuwsgierigheid en waren ontevreden met de wereldlijke genoegens en de brahmaanse rituelen van hun tijd. Geïnspireerd door de śramaṇa-bewegingen, die traditionele opvattingen uitdaagden, besloten ze het wereldlijke leven op te geven om zwervende asceten te worden. Volgens de Mahāvagga in de Vinaya Pitaka sloten ze zich aan bij Sañjaya Belatthiputta, een sceptische leraar die een populaire śramaṇa-groep leidde in Rajagaha. Hoewel Sañjaya’s leringen hen aanvankelijk aanspraken, vonden ze zijn filosofie ontoereikend voor echte bevrijding. Ze maakten een pact om elkaar te informeren als een van hen een leraar vond die de weg naar verlichting kon wijzen.

Bekering tot het boeddhisme

Moggallāna’s leven veranderde toen zijn vriend Sāriputta een ontmoeting had met Assaji, een van de vijf oorspronkelijke discipelen van de Boeddha, in Rajagaha (ca. 528 v.Chr. of ca. 445 v.Chr.). Assaji deelde een korte samenvatting van de Dhamma, gebaseerd op het principe van afhankelijk ontstaan (paṭiccasamuppāda):

“Ye dhammā hetuppabhavā, tesaṃ hetuṃ tathāgato āha; tesañca yo nirodho, evaṃ vādī mahāsamaṇo.”
Van alle dingen die door een oorzaak ontstaan,
De Tathagata (Boeddha) heeft de oorzaak ervan uiteengezet;
En hoe ze tot hun einde komen, dat vertelt hij ook,
Dit is de leer van de Grote leraar.
(Vin.i.39ff)

Toen Sāriputta deze strofe met Moggallāna deelde, bereikte Moggallāna onmiddellijk het stadium van sotāpanna (stroombetreder), het eerste niveau van spirituele realisatie. Overweldigd door dit inzicht zochten ze samen de Boeddha op in het Bamboebos (Veṇuvana) in Rajagaha, waar ze formeel toetraden tot de sangha als monniken. Volgens de traditie bereikte Moggallāna binnen een week na zijn inwijding de staat van arhat, een volledig verlichte persoon, na intense meditatie in een dorp genaamd Kallavāla. Zijn snelle verlichting weerspiegelt zijn uitzonderlijke spirituele aanleg en meditatieve kracht. Bovennatuurlijke krachten en spirituele prestaties Moggallāna werd door de Boeddha geprezen als de “voornaamste in bovennatuurlijke krachten” (iddhi) onder zijn discipelen (Aṅguttara Nikāya, Ekaka Nipāta). Deze krachten, die voortkomen uit diepe meditatieve concentratie (samadhi), omvatten vermogens zoals:

Karakter

Moggallana werd door Gautama de Boeddha geprezen als de monnik die (na de Boeddha zelf) het hoogst begiftigd was met de eerste vijf van de zes bovennatuurlijke krachten (de wereldse bovennatuurlijke krachten). Deze krachten moet we echter meer symbolische en metaforisch dat realistisch nemen.

  • de magische krachten (Pali: iddhi-vidha); levitatie, teleportatie en psychokinese.
  • het hemels oor (Pali: dibba-sota); zoals het horen van wat er op zeer grote afstand gezegd wordt, het kunnen beluisteren van de conversaties van de goden en het kunnen verstaan van dierentaal.
  • telepathie (Pali: ceto-pariya-ñāna); het kunnen lezen van iemands geest, emoties en gedachten.
  • het herinneren van vorige levens (Pali: pubbe-nivāsānussati); zoals het zichzelf kunnen herinneren dat je in een vorige leven díe persoon was, dáár leefde, dát soort werk deed, dít soort dingen meemaakte en stierf door déze oorzaak.
  • het hemels oog (Pali: dibba-cakkhu); zoals het kunnen zien van goden en geesten, hemels en hellen, en hoe wezens na hun dood wedergeboren worden als gevolg van hun karma.
  • de extinctie van de mentale vergiften en het bereiken van mentale puurheid en perfectie (Pali: āsavakkhaya); het realiseren van Nirvana en het bereiken van het Arahantschap.

Hij bezat veel inzicht in de boeddhistische filosofie. Slechts Gautama de Boeddha en Sariputta waren daarin zijn meerdere.

De Boeddha zei dat Moggallanas specialiteit lag in het begeleiden van monniken met een lagere graad van verlichting (zoals Sotapanna), zodat deze monniken de hoogste graad (het Arahantschap) sneller behaalden. Sariputtas specialiteit daarentegen lag in het uitleggen van de Vier Edele Waarheden waarvan het begrip leidt tot het Sotapannaschap, de laagste graad van verlichting. De Boeddha vergeleek Sariputta daarom met iemand die iets creëert of voortbrengt en Moggallana met degene die zorg draagt voor hetgeen voortgebracht is. Mogallana droeg vaak zorg voor het ontwerp en de bouw van nieuwe kloosters. Verscheidene keren vroeg de Boeddha hem om op een bepaalde locatie een klooster van de grond af op te bouwen.

Zijn bovennatuurlijke krachten maakten hem een complementaire figuur naast Sāriputta, die uitblonk in wijsheid (paññā). Samen vormden ze een perfect duo: Sāriputta organiseerde en onderwees de Dhamma intellectueel, terwijl Moggallāna de spirituele diepte en mystieke aspecten van de leer belichaamde.

Rol in de sangha

Moggallāna speelde een belangrijke rol in de vroege boeddhistische sangha:

  • Leraar en mentor: Hij onderwees monniken en leken, hoewel hij minder toespraken hield dan Sāriputta. Zijn leringen, zoals de Moggallāna Saṃyutta in de Saṃyutta Nikāya, richten zich vaak op meditatie, karma, en de realiteit van wedergeboorte.
  • Beschermer van de sangha: Moggallāna gebruikte zijn bovennatuurlijke krachten om de sangha te beschermen tegen externe en interne bedreigingen, zoals de invloed van Māra of verdeeldheid onder monniken.
  • Vriendschap met Sāriputta: Hun diepe vriendschap, die begon in hun jeugd, bleef een voorbeeld van spirituele kameraadschap. Ze steunden elkaar in hun beoefening en werkten samen om de sangha te versterken. De Boeddha prees hun harmonieuze relatie als een model voor andere monniken.
  • Discipline en nederigheid: Ondanks zijn krachten bleef Moggallāna bescheiden en trouw aan de Vinaya-regels. Hij leefde een eenvoudig leven, afhankelijk van aalmoezen, en vermeed wereldlijke eer.

Dood en nalatenschap

Moggallāna’s dood, beschreven in de Pali Canon (bijvoorbeeld de Dhammapada Atthakatha en de Vinaya), was tragisch en dramatisch. Volgens de traditie werd hij in 483 v.Chr. (of ca. 400 v.Chr. in de kortere chronologie), kort na Sāriputta’s dood en vlak voor de Boeddha’s parinirvāṇa, vermoord door bandieten in een grot nabij Rajagaha. De commentaren suggereren dat deze aanval werd geïnstigeerd door rivaliserende asceten, mogelijk jaloers op de groeiende invloed van het boeddhisme. Moggallāna, die zijn dood voorzag dankzij zijn helderziendheid, aanvaardde zijn lot als gevolg van karma uit een vorig leven (waarin hij volgens de Jātaka-verhalen zijn ouders had mishandeld).

Ondanks pogingen van de bandieten om hem te doden, gebruikte Moggallāna aanvankelijk zijn bovennatuurlijke krachten om te ontsnappen. Uiteindelijk liet hij zijn leven los, wetende dat zijn karma onvermijdelijk was. Zijn lichaam werd gecremeerd, en zijn relieken werden naar de Boeddha gebracht in Kusinārā, waar ze later werden vereerd in stoepa’s. Zijn dood, zo kort na die van Sāriputta, was een zware slag voor de sangha, zoals blijkt uit de emoties van Ānanda en andere monniken.

Culturele en religieuze betekenis

Moggallāna’s nalatenschap in het boeddhisme is diepgaand. Als de “voornaamste in bovennatuurlijke krachten” symboliseert hij de mystieke en meditatieve aspecten van de Dhamma, in contrast met Sāriputta’s intellectuele wijsheid. Zijn verhalen over iddhi, zoals het bezoeken van hemelse rijken of het overwinnen van Māra, inspireren boeddhisten om de kracht van meditatie en spirituele discipline te erkennen. Zijn tragische dood onderstreept het boeddhistische concept van karma, dat zelfs een arhat niet kan ontlopen. In boeddhistische kunst wordt Moggallāna vaak afgebeeld aan de linkerkant van de Boeddha (met Sāriputta aan de rechterkant), wat zijn status als voornaamste discipel benadrukt. In de Mahāyāna-traditie, zoals in de Lotus Sūtra en Vimalakīrti Sūtra, wordt hij soms voorgesteld als een bodhisattva, hoewel zijn rol als arhat centraler is in de Theravāda. Zijn verzen in de Theragāthā weerspiegelen zijn vreugde in bevrijding en zijn toewijding aan de Boeddha. Moggallāna’s vriendschap met Sāriputta blijft een krachtig symbool van spirituele samenwerking en wederzijdse steun, en zijn leven illustreert hoe toewijding en meditatie tot de hoogste spirituele realisaties kunnen leiden.

Historische en legendarische context

Historisch gezien is het zeer waarschijnlijk dat Moggallāna een echte persoon was, een brahmaanse asceet die een sleutelfiguur werd in de vroege sangha. Zijn bekering door Sāriputta en zijn rol in de sangha worden consistent beschreven in vroege teksten, wat wijst op een historische kern. De verhalen over zijn bovennatuurlijke krachten en dramatische dood zijn mogelijk legendarisch, bedoeld om zijn spirituele statuur en de werking van karma te benadrukken. Archeologische vondsten in Rajagaha, Sāvatthī, en andere boeddhistische centra bevestigen de historische context van Moggallāna’s leven, hoewel directe bewijzen over hem ontbreken. Zijn nalatenschap leeft voort in de boeddhistische geschriften en de stoepa’s die zijn relieken bewaarden.

Conclusie

Mahā Moggallāna was een uitzonderlijke discipel van de Boeddha, wiens bovennatuurlijke krachten, diepe meditatie, en toewijding aan de Dhamma hem tot een van de meest gerespecteerde figuren in de vroege sangha maakten. Zijn vriendschap met Sāriputta, zijn rol als leraar en beschermer, en zijn tragische dood benadrukken zijn spirituele diepgang en menselijkheid. Als symbool van de kracht van meditatie blijft Moggallāna een inspiratie voor boeddhisten wereldwijd. Voor verdere studie kunnen de Moggallāna Saṃyutta, de Theragāthā, en de Vinaya Pitaka worden geraadpleegd, evenals commentariële werken zoals de Dhammapada Atthakatha.