Dharma-Lotus is een boeddhistische organisatie met 6 vestigingen in Nederland en een | retraitecentrum (Ekãyano) in Noord-Frankrijk | Mail.png | WA-logo.png | Abonneer op onze Nieuwsbrief

10 ketenen van bestaan

Uit dharma-lotus.nl
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Boeddhistische dharma

De 10 valkuilen van Meditatie

In het boeddhisme worden de 10 ketenen/bindingen/valkuilen (Pali: dasa saṃyojana) gezien als de diepste psychologische en existentiële koorden die een mens vastbinden aan de eindeloze cyclus van geboorte en dood (saṃsāra). Zolang zelfs één van deze ketenen nog intact is, blijft wedergeboorte onvermijdelijk. Gautama de Boeddha vergelijkt ze met ijzeren, koperen of gouden kettingen: hoe fijner het metaal, hoe moeilijker ze door te snijden zijn.

In volgorde van Makkelijkst-op-te-lossen tot Moeilijkst-op-te-lossen:

Geloof in een permanent zelf

(Sakkāya-diṭṭhi); De allergrootste en meest fundamentele keten.

Het is de automatische aanname dat er ergens een vast, onveranderlijk “ik” bestaat: in je lichaam, in je gedachten, in je gevoelens, of zelfs als een ziel die los van alles voortleeft. Zolang je dit gelooft, blijf je alles persoonlijk opvatten: “mijn pijn”, “mijn succes”, “mij is onrecht aangedaan”. Door diepgaand inzicht in de 3 karakteristiekenverdwijnt dit geloof volledig:

  • veranderlijkheid (anicca): Alles wat bestaat, is tijdelijk en onderhevig aan verandering. Niets blijft permanent hetzelfde; alle fenomenen ontstaan, bestaan even en vergaan uiteindelijk.
  • lijden (dukkha): Omdat alles veranderlijk is, leidt gehechtheid aan fenomenen tot lijden. Zelfs plezierige ervaringen zijn onbevredigend, omdat ze niet blijvend zijn en niet volledig vervullen.
  • niet-zelf (anatta): Er is geen blijvend, onafhankelijk zelf of essentie in personen of fenomenen. Wat wij als "zelf" beschouwen, is slechts een tijdelijke samenstelling van veranderlijke elementen (de 5 khanda's: vorm, gevoel, waarneming, mentale formaties, bewustzijn).

Heb je dit inzicht volledig, dan word je een sotāpanna.

Pijl.png lees meer over dit onderwerp op: 3 karakteristieken

Twijfel

(Vicikicchā); Zolang er twijfel is over de boeddhistische filosofie (Darma), kun je je nooit volledig overgeven aan de beoefening. Je houdt altijd een achterdeurtje open. Bij sotāpanna verdwijnt deze twijfel voorgoed; je weet door eigen ervaring dat de Dhamma klopt.

Pijl.png lees meer over dit onderwerp op: Twijfel

Vastklampen aan regels en rituelen als doel op zich

(Sīlabbata-parāmāsa); Denken dat louter het volgen van gebod en verbod, ceremonies, ascese, of bijvoorbeeld strikt vegetarisme je automatisch zal bevrijden, zonder wijsheid. Voorbeeld:

  • Ik doe elke dag 108 buigingen, dus ik ben goed bezig
  • Ik vast op nieuwe- en volle maan, dan ben ik veilig

Twijfel is vaak de laatste van de eerste 3 ketenen die wegvalt, omdat veel mensen eerst moraliteit en ritueel nodig hebben als basis. Na sotāpanna zie je dat moraliteit (Sillã) belangrijk is, maar slechts als voertuig en niet als einddoel.

Zintuiglijke begeerte

(Kāma-rāga); Hevige lust, seksuele driften, verslaving aan eten, muziek, geuren, aanraking, mooie beelden.

Het is niet het genieten zelf, maar de dwangmatige hunkering en gehechtheid eraan. Bij sakadāgāmi is deze sterk verzwakt; bij anāgāmi volledig verdwenen. Een anāgāmi voelt geen seksuele aantrekkingskracht meer en heeft geen zintuiglijke verslavingen.

Kwaadwilligheid, haat, wrok

(Vyāpāda); Alles van lichte irritatie tot moorddadige woede maar ook subtielere vormen zoals “ik gun hem/haar dat succes niet” of langdurig wrok koesteren.

Ook dit verdwijnt volledig bij anāgāmi. Daarom worden anāgāmi’s vaak beschreven als bijzonder vriendelijk en onverstoorbaar.

Begeerte naar fijn-materiële bestaan

(Rūpa-rāga); Verlangen naar wedergeboorte in de mooie materiële jhāna-rijken.

Dit is al een zeer subtiel verlangen dat alleen ontstaat als je die jhāna’s zelf hebt ervaren.

Begeerte naar immateriële bestaan

(Arūpa-rāga); Verlangen naar wedergeboorte in de allerhoogste, vormloze rijken.

Begeerte naar fijn-materiële bestaan en begeerte naar immateriële bestaan zijn de reden dat zelfs iemand die diepe jhāna’s beheerst nog niet automatisch een arhat is.

Hoogmoed

(Māna); De subtiele neiging om jezelf met anderen te vergelijken:

  • Ik ben beter (mana)
  • Ik ben slechter (omana)
  • Ik ben gelijk (mānātimaña)
  • Ik ben bijna verlicht

Zelfs bijna-verlichten kunnen nog een vleugje hoogmoed hebben: Pas bij het arhatschap verdwijnt elke vorm van ik-vergelijking volledig.

Rusteloosheid van de geest

(Uddhacca); De geest die maar blijft springen, plannen maken, piekeren, fantaseren. Het is de laatste “grove” onrust die overblijft als alle andere heftige emoties weg zijn. Zelfs bij zeer gevorderde beoefenaars kan de geest nog lichtjes “fladderen”.

Onwetendheid (fundamentele verwarring)

(Avijjā); De wortel van alles: niet direct zien hoe dingen werkelijk zijn. Het is niet een gebrek aan informatie, maar een diep niet-begrijpen van de 4 edele waarheden, afhankelijk ontstaan, en de 3 karakteristieken. Pas wanneer ook deze laatste keten volledig is doorgeknipt, is er arhatschap: volledig ontwaken, einde van alle wedergeboorte.

Naam (Pali) Nederlandse betekenis Verdwijnt volledig bij
Sakkāya-diṭṭhi Geloof in een permanent zelf Sotāpanna
Vicikicchā Twijfel aan de Dhamma Sotāpanna
Kāma-rāga Zintuiglijke begeerte Anāgāmi
Vyāpāda Haat, kwaadwilligheid Anāgāmi
Rūpa-rāga Begeerte naar fijn-materiële rijken Arhat
Arūpa-rāga Begeerte naar immateriële rijken Arahant
Māna Hoogmoed, ik-vergelijking Arahant
Uddhacca Rusteloosheid Arahant
Avijjā Onwetendheid Arahant